Ankeren is ultieme rust. Totdat je boot begint te gieren en onrustig heen en weer zwaait.
De zon zakt langzaam achter de horizon, het water kabbelt zacht tegen de romp en je ligt vrij, ver weg van drukke havens. Ankeren is ultieme rust. Totdat je boot begint te gieren en onrustig heen en weer zwaait. Gelukkig zijn er slimme manieren om dat te voorkomen — en die maken het verschil tussen onrust en ontspanning.
Als er zoveel boten liggen, is er weinig ruimte om achter je anker te gieren. Bovendien gaat je boot behoorlijk schommelen als hij veel giert. Je jacht ligt een stuk rustiger als je dat gieren tegengaat. Dat kan op verschillende manieren: je kunt een extra achteranker uitbrengen zodat je tussen twee ankers ligt, je kunt twee ankers in een V-vorm voor de boeg uitbrengen, of je kunt twee lijnen aan één anker bevestigen. Deze methoden zijn bedoeld voor ankeren op stilstaand water.
Voor en achter
Er zijn twee manieren om een anker voor en achter uit te brengen. Je kunt eerst het hoofdanker uitbrengen op de normale manier: anker uitbrengen, ankerketting en -tros steken en je schip zo ver mogelijk naar achteren laten lopen. Eventueel verleng je de ankerlijn tijdelijk om nog verder benedenwinds te komen. Daarna laat je vanaf het achterschip het tweede anker vallen. Vervolgens neem je de voorlijn gedeeltelijk weer in terwijl je tegelijk de achterankerlijn viert, totdat je naar tevredenheid tussen de twee ankers ligt. Meestal is de voorlijn langer dan de achterlijn, omdat het boeganker het hoofdanker is en tegen de wind in ligt. Daar komt dus de meeste kracht op te staan. Het voordeel van deze methode is dat je zeker weet dat je hoofdanker houdt voordat je een achteranker uitbrengt.
Heb je echter een zware ankerketting aan je hoofdanker, dan is deze aanpak minder praktisch. In dat geval kun je beter eerst het achteranker uitbrengen. Vervolgens vaar je tegen de wind in en vier je de ankerlijn totdat je op de plek bent waar je het hoofdanker wilt uitbrengen. Daarna laat je de boot weer naar achteren zakken en steek je voldoende ankerketting. Ook zo lig je tussen twee ankers. Nadeel is dat je niet zeker weet of het hoofdanker zich goed ingraaft. Je loopt dus het risico dat je de hele ankermanoeuvre opnieuw moet doen.
V-vorm
Je kunt ook twee ankers in een V-vorm voor je boot uitbrengen. Let erop dat de hoek niet groter is dan 45 graden. Eerst breng je het hoofdanker uit en steek je flink wat ankerlijn. Daarna vaar je naar een punt meer naar bakboord of stuurboord, op dezelfde hoogte als het eerste anker, en daar breng je het tweede anker uit. Laat je schip naar achteren zakken en vier de tweede lijn. Als beide lijnen even lang zijn, beleg je ze op de boeg. De V-vorm voorkomt gieren: je ligt met de boeg in de wind en blijft netjes op je plek. Nadeel is dat je opnieuw moet ankeren als de wind plotseling draait.
Eén anker
Heb je geen twee ankers, dan kun je ook met één anker goed uit de voeten. Laat het anker vallen en steek voldoende ankerlijn. Beleg vervolgens een landvast met een mastworp met voorslag op de ankerlijn, of met een paalsteek op de ankerketting. Leid deze landvast buiten de verstaging om naar het achterschip. Steek daarna nog een of twee meter ankerlijn of -ketting en beleg deze op de boeg. Beleg de landvast op de hek. Je boot komt nu iets schuin achter het anker te liggen en zal nauwelijks nog gieren. Je moet even bepalen wat voor jouw boot de juiste hoek ten opzichte van de wind is; dat verschilt per type. Door te spelen met de lengte van de ankerlijn en de landvast ontdek je vanzelf wanneer je boot het minst giert. Draait de wind plotseling, dan draai je met deze methode vanzelf mee rond je anker. Bij de eerste twee methoden moet je in zo’n geval opnieuw ankeren.