Actueel

Toen in Zeilen: Handsignalen

12:00

Schreeuwen doen we desondanks nog om een tegenstander op botte wijze ervan zien te overtuigen dat hij weg moet blijven, dan wel een andere manoeuvre moet uitvoeren in zijn nadeel. Het meeste profijt hebben we echter van een goede communicatie aan boord tussen bemanningsleden om rust te bewaren en de tegenstander in het wedstrijdveld niet op de hoogte te stellen van onze plannen. Hier de gebaren op een rijtje voor een effectieve communicatie aan boord.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Zeilen 05/2015.
Tekst: Willem Plet

 

1. Vingers omhoog

Buiten wedstrijdverband is het gebruik van opgestoken vingers handig voor een aanlegmanoeuvre en kunnen we met onze vingers het aantal meters tot de steiger, ankerboei, of kade doorgeven. Vooral handig bij veel wind en onder de kritische blik van schippers aan wal.
Voor de wedstrijd zien we voordekkers het aantal vingers opsteken dat de boeg in bootlengtes is verwijderd van de startlijn. Hun perspectief en zicht op de startlijn is vaak veel beter dan vanaf de stuurpositie. Bovendien is het op het meest rumoerige moment van de wedstrijd, waarin de kaarten vaak grotendeels worden geschud, zaak dat de taken zo goed mogelijk worden verdeeld om de hectiek van het wedstrijdveld buitenboord te houden.

2. Wijsvinger en duim

Het dicht bij elkaar houden van wijsvinger en duim duidt in de meest algemene zin ‘een klein beetje’ aan. Dit kan na een aanwijzing om vaart te maken om te loeven dan wel te vallen van pas komen om de maat van het voorgaande gebaar aan te geven.
Voor de start wordt het gebaar gebruikt om de roerganger ervan te verwittigen dat de lengte tussen de boeg en de startlijn minder dan één bootlengte is. Afhankelijk van de te doden tijd zal het worden opgevolgd door een gebaar in hoeverre de vaart van de boot moet worden aangepast aan de af te leggen afstand in de nog te doden tijd.

3. Wuivende hand

Te vroeg over de startlijn is dodelijker voor een goede start en wedstrijd dan een iets te late start. De wuivende hand betekent dat de schoten moeten worden gevierd en de boot in de wind moet worden gelegd om tijd te doden. Het vereist een ervaren voordekker om de vector en de nog te doden tijd goed in te schatten. Het is dus ook de voordekker die de acceleratie van de boot moet kennen en het windveld goed in de gaten moet houden.

4. Opgestoken vuist

Tijdens aanlegmanoeuvres kan een opgestoken vuist betekenen de boot stil te leggen. In wedstrijdverband wordt de vuist vaak gebruikt om de voorliggende koers te behouden na te zijn geloefd of te zijn gevallen.

Klik op de afbeelding om deze groter te bekijken.

5. Vingers wijzen

De voordekker ziet niet alleen toe op het wedstrijdveld en de startlijn, maar staat of ligt er ook goed bij voor de trim van het voorzeil. Hij kan door zijn wijsvinger naar lij of naar loef te wijzen een loef- of valstuurcorrectie aan de roerganger doorgeven. Dit is vooral bij grotere boten handig, waar de roerganger slechter zicht heeft op het voorzeil en er minder directe feedback op het roer is dan bij kleinere boten.

6. Met gestreken arm zwaaien

De voordekker kan samen met de roerganger als geen ander aan boord inschatten of er een overstagmanoeuvre moet worden uitgevoerd om uit de vuile wind van een tegenstander te komen, om een aanvaring te voorkomen en er voor een andere boot langs dan wel achter iemand langs kan/moet worden gevaren.
Een gestreken arm zwaaiend over het voordek betekent dat er voldoende ruimte is om te manoeuvreren zonder de tegenstander lastig te vallen of in zijn vuile wind te belanden.

7. Hand op achterhoofd

Dit betekent dat de voordekker door voorliggende zeilen van tegenstanders geen goed zicht heeft op de startlijn of de wedstrijdboei.

8 Draaiende onderarm

Het tegenovergestelde van de wuivende hand is de draaiende onderarm. Hiermee bedoelt de voordekker dat er vaart moet worden gemaakt door de schoten aan te halen. De mate van succes draait hierbij absoluut om een snelle reactie van de bemanning aan de schootlieren.

9. Opgestoken hand

Dit teken geeft aan dat er geen ruimte is om voorlangs te kruisen. Er zal dus rekening moeten worden gehouden met een aan lij- of over bakboord varende tegenstander in de buurt.

Gebaren

Goede gebaren zijn goede manieren. Indien roerganger en voordekker de gebaren vooraf tot in detail doornemen, kunnen de gebaren het verschil maken tussen een kras op de romp en een soepele aanlegmanoeuvre, een te vroege of een topstart en een fantastische, kruisende koers of een aanvaring. Bovendien maakt dat het spelletje om met z’n allen die boot zo snel mogelijk voor, tussen en achter het wedstrijdveld te manoeuvreren nog een stuk leuker en efficiënter.

Tekst: Willem Plet

Tags: , , , , Last modified: 21 april 2020
Sluiten