Reisverhalen

Duitsland of Denemarken?

Blog Anna Noord: terug naar Denemarken of door naar Kiel?

Redactie Zeilen
Zware storm op Laesoe

“Blijven jullie hier wonen?” grinnikt havenmeester Brian als we zijn kantoor binnenlopen. Wietze stopt de sticker voor onze negende overnachting in de haven in z’n zak en we grijnzen terug. “Ja, het is hartstikke leuk hier. En die harde wind gaat uiteindelijk liggen, toch?”

Vanuit Donsö in Zweden zeilden we met prachtig weer naar Østerby Havn in Denemarken, de oostelijke van de twee havens van het eiland Læsø. We vonden een prachtplek aan de steiger en verheugden ons erop om het eiland te gaan verkennen. Met een schuin oog op de weerkaart was de keuze: ofwel in razend tempo het eiland rond en dan naar Anholt ofwel rustiger aan doen en hier twee depressies afwachten.

Al na één wandelingetje door het prachtige duingebied hakten we de knoop door: we blijven. Brian voegde nog iets aan ons lijstje bezienswaardigheden toe: het kreeftenfestival. De paar vissers die hun thuishaven hebben in Østerby Havn, vissen vooral op Noorse kreeften. En dat wordt eenmaal per jaar uitbundig gevierd.

Huis met een muts op

We genieten van lange wandelingen door de duinen, van ritjes over het eiland en van de lokale bezienswaardigheden. De huizen met de traditionele zeewierdaken zijn onvoorstelbaar. “Net een huis met een muts op”, bromt Wietze. Ook de zoutziederij aan de zuidzijde van het eiland is bijzonder: al ruim duizend jaar wordt er op deze manier zout gewonnen uit zeewater.

Huis met een zeewierdak op Laesoe

Annika, de uitbaatster van het restaurant aan de haven, wijst ons nog op iets anders. “Ga naar de zuidoostkust van het eiland en kijk in de verte. Daar zie je een vierkante vorm. Dat zijn verplaatsbare woningen. Elk jaar worden ze ‘s zomers met een tractor over het ondiepe deel van de baai naar een soort fundatie getrokken. Aan de voorkant ligt een bootje voor de palingvangst en aan de achterkant de tractor om de vangst naar de wal te brengen.” In de haven hadden we al palingen gezien, dus we geloven haar graag.

Potluck

De tweede depressie is een diepe; we liggen twee dagen scheef van de harde wind. Na een dag ben ik het binnen zitten zat en trek ik m’n jas aan voor een rondje langs de schuilende boten: “vanmiddag om half vijf in de zeilerslounge, potluck.” Dat laatste vraagt enige uitleg: in de werelzeilerij staat ‘potluck’ voor een informeel feestje waarbij iedereen z’n eigen drankjes meeneemt, en iets eetbaars om te delen.

De reacties zijn enthousiast. In Denemarken zijn de zeilersfaciliteiten vaak uitstekend: de zeilerslounge zit die middag dan ook vol met allemaal gezellige mensen. De Noren nemen zelfs een wafelijzer en een kom beslag mee!

Van Læsø naar Anholt is een lang, vervelend stuk varen. Eigenlijk iets te hoog aan de wind, tegen een koppige golfslag in. We zijn blij als we er zijn. En Anholt is ook weer zo’n parel. Er wonen ruim honderd mensen gedurende het hele jaar, maar in de zomer barst het eiland van de zeilers en veerboot-vakantiegangers. Nu, half augustus, zijn de Denen alweer terug naar school of aan het werk. De Duitse vlaggen overheersen op de boten.

De witte stranden van Anholt zijn prachtig

We trekken de wandelschoenen weer aan en lopen uren over het adembenemend mooie strand en tussen de heidevelden op ‘de berg’ die het eiland z’n markante vorm geeft. De jenerverbessen rijpen aan de struikjes, dus het verbaast me niet dat we ´toevallig´ bij een Anholt gin proeverij terecht komen. ’s Avonds kijken we weer op de kaart om een volgende bestemming te kiezen. “Ik heb wel weer zin in een stad,” wijs ik naar Århus. We besluiten om er in een paar stappen naar toe te varen.

In de museumhaven van Ebeltoft

“Het havengeld is tien euro, maar je moet ook een kaartje voor het museum kopen,” zegt de vrolijke jongen bij de kassa. We grinniken: “Dat waren we toch al van plan.” In Ebeltoft liggen we in de museumhaven, pal onder de boegspriet van de Jylland, een historisch Deens oorlogsschip. “De eerste hybride,” zegt de jongen ernstig. Verrast kijken we naar het schip. Verdomd: stoom en zeilen.

We struinen door het leuke museum en lezen dat de Jylland in 1864 ingezet is bij de slag bij Helgoland, één van de vele ruzies tussen Duitsland en Denemarken. Het resultaat was dat de grens van Denemarken verschoven werd. Na het museum drentelen we door de gezellige hoofdstraat van Ebeltoft, waar kinderkopjes en vakwerkhuizen hordes toeristen trekken.

Afgemeerd onder de boeg van de Jylland in Ebeltoft

Tijdreis

Århus heeft drie opties om je boot achter te laten: twee jachthavens ten noorden en zuiden van de stad, die met een goede OV- of fietsverbinding eenvoudig toegang tot de stad bieden. Midden in de stad ligt een enorme, wigvormige haven, waar maar liefst acht verenigingen steigers hebben. Een ligplaats vinden gaat dus simpel: je vaart rond totdat je een box ziet waar jouw boot in past én die een groen bordje aan de steiger heeft. Om die bordjes te kunnen zien, moet je dus de ‘paadjes’ tussen de steigers in varen.

Met een harde dwarswind is dat niet bepaald leuk om te doen, zeker omdat de boxen waar onze boot in past, erg schaars zijn. Met behulp van hele vriendelijke Duitsers liggen we na een uurtje zoeken op een goede plek. Oef. Doe mij maar een havenmeester die overzicht over een haven heeft!

Århus is een leuke studentenstad, met veel contrasten tussen oud en nieuw. Het allerleukst vinden we het openlucht museum Gamle By. De bekende kinderkopjes en vakwerkhuizen zijn ook daar te bewonderen, maar ook een ‘stadsdeel’ uit de zeventiger jaren. Wietze bromt: “Nou, hier staan allemaal dingen die ik gewoon herken uit mijn jeugd. En dat staat dan in een museum.” Ik lach het weg en sleep hem mee naar een terrasje. “Het is zo warm vandaag, op onze leeftijd moeten we even afkoelen,” schater ik.

Samsø International Airport

Na een paar dagen stad vinden we het wel weer genoeg en gaan we naar het grote eiland Samsø. Rune, onze bootbuurman, woont al jaren op Samsø. “Willen jullie het vliegveld zien?” Tuurlijk. Eén van zijn activiteiten is het regelen van alles rond het vliegveld, waar we na een korte rondrit staan. ‘Samsø International Airport Terminal 3’ staat op een kleine schuur.

De andere terminals zijn ook rood/witte schuren. Grinnikend zien we dat ‘Gate 1’ een soort klaphekje is dat naar een grasveld leidt. En geloof het of niet: er staan twee vliegtuigen: een Nederlandse en een Belgische. Rune vertelt honderduit over het eiland, ook bij de uitgebreide nasimaaltijd later op de dag. De volgende dag rijden we het prachtige eiland rond en bekijken alle bomvolle jachthavens. We snappen waarom Samsø zo populair is.

Samsoe International Airport

Stroom

We blijven eiland-hoppen, Als is ons volgende doel. Om daar te komen, moet je door de Kleine Belt, een spectaculair mooi en smal vaarwater. “Hebben we stroom tegen?” is mijn retorische vraag, als de GPS 2,5 knopen aangeeft. Wietze bromt: “wanneer niet?” Ondanks dat er nauwelijks verschil tussen eb en vloed is, kun je in de smalle gaten een felle tegenstroom hebben. De wind lijkt de belangrijkste oorzaak te zijn. Hoe dan ook, wij treffen steeds precies de tegenstroom. “Extra lang genieten van het uitzicht,” grimlach ik. De beloning is groot, als we later Dyvig binnenvaren. Na een doodenge smalle en ondiepe doorgang kom je in een soort knikkerputje waar je je anker uit kunt gooien of aan een steiger vast kunt knopen.

Volle ankerplek bij Dyvig op Als

Er staat een romantisch badhotel en de zonnebloemen kleuren de velden rond de haven geel. Heerlijke, beschutte plek. En dat mag ook wel, want de wind giert over Denemarken. We blijven een paar dagen liggen en pakken de bus naar Sønderborg, waar van alles te zien is. Het kasteel is prachtig gerestaureerd en we kijken uit de oude ramen naar de zeilboten die aan de kade liggen. Even later wijst Wietze naar een zaal met een tentoonstelling over recente historie: “lees dit eens. Dan snap je waarom alles hier in het Duits en het Deens gaat en waarom we hier ook met euro’s kunnen betalen.” Wat blijkt: ook in dit gebied lag de grens tussen Denemarken en Duitsland niet altijd op dezelfde plek.

De brug bij Sonderborg verbindt Als met het vasteland

Ommetje met rum

Van veel zeilers hadden we gehoord dat het Duitse Flensburg een leuke stad is. En wat nog leuker is: het ligt aan het einde van een kronkelende fjord. Het is stralend weer, er staat een flinke bries en iedereen met een zeilboot wil váren vandaag: champagne zeilen. Lekker actief trimmen om de bochten door te komen, brede armzwaaien naar andere zeilers die het net zo leuk hebben als wij. Als kers op de taart vinden we een plekje aan de kade in het centrum.  Als je de toeristische informatie leest, is er heel wat rum verscheept via deze haven. Daar willen we meer over weten, dus we gaan in het pand van een rumhandelaar kijken. En wat blijkt? Flensburg was vroeger Deens en in die tijd had Denemarken een paar kolonies in de Caraïben: dat zijn nu de US Virgin Islands. Suikerriet, rum: de puzzelstukjes vallen op hun plek. Zeker nadat we wat verschillende soorten rum hebben mogen proeven, snappen we het helemaal.

Rum proeven in Flensburg

’s Avonds komen de kaarten weer op tafel. We zijn nu immers in Duitsland, maar wat willen we nog in Denemarken bekijken? “Kijk eens naar die trein van depressies die op ons af komt,” wijst Wietze. “Als we weer noordelijker gaan, lopen we de kans om lange tijd vast te komen zitten. We kunnen nu ook in grote stappen richting Kiel gaan en terug naar Nederland.” Ik bijt op mijn lip, de lijst van dingen die ik nog wil zien is altijd langer dan de tijd die we hebben. Na een uurtje mokken over het weer, haal ik m’n schouders op. De Deense gastenvlag berg ik op bij de Zweedse en Noorse, terugkijkend op weer een prachtige reis dit jaar.

Kiel, Duitsland. Augustus 2025

Tekst een foto’s: Wietze van der Laan en Janneke Kuysters

Meer Reisverhalen