Een delivery over de Atlantische Oceaan veranderde voor een jonge bemanning van wedstrijdzeilers in een nacht die ze nooit meer zullen vergeten. Zo’n 280 mijl uit de kust van North Carolina raakte hun 54-voets catamaran Magic Bus onherstelbaar in de problemen. Terwijl de storm aanwakkerde en het water in de motorruimte bleef stijgen, bleef uiteindelijk maar één beslissing over: de boot verlaten. De Amerikaanse zeiler Dylan Flack maakte de overtocht mee en beschreef later hoe de bemanning midden in de nacht het reddingsvlot in stapte en urenlang wachtte op hulp, totdat een vliegtuig en later een helikopter van de Amerikaanse kustwacht hen oppikten. Het onderstaande verhaal is gebaseerd op zijn originele Engelstalige artikel.
De laatste reis van Magic Bus
Er zit iets vreemds moois in het sturen van een zinkende boot. Alles wordt onwerkelijk. En toch sta ik daar. Aan het stuur van Magic Bus, de boot waar mijn familie jaren op leefde. We liggen 280 mijl uit de kust van North Carolina. Beide motoren zijn stilgevallen en de bilge staat vol olieachtig zeewater. Binnen een paar uur zal ik afscheid nemen van de boot die me leerde sleutelen, problemen oplossen en – misschien nog wel belangrijker – volwassen worden.
De nacht op de Atlantische Oceaan is pikzwart. Alleen de maan verlicht de toppen van de golven. Zes meter hoog rollen ze ons door en giert de wind met 45 knopen over dek. Om half vier ’s nachts weten we het allemaal: dit gaat niet meer goedkomen. Mijn vriend Zach steekt zijn hoofd door het kajuitluik. “Dylan… het ziet er beneden slecht uit. We moeten misschien… de boot verlaten.” Het woord komt er aarzelend uit, maar gek genoeg voelt het als opluchting. De afgelopen uren hing het al in de lucht. Nu is er duidelijkheid. We gaan in het reddingsvlot. Ik stap voor de laatste keer weg van het roer en duik naar beneden om mijn paspoort te zoeken.
De boot die ons thuis werd
Vijf jaar eerder stond ik nog in mijn oude slaapkamer verhuisdozen te vullen. Tijdens de coronaperiode had mijn vader een besluit genomen: het huis ging weg en we gingen op een boot wonen. Niet zomaar een boot. Hij kocht een 54-voets catamaran: Magic Bus. Breed, log en volgestouwd met jaren aan spullen van vorige eigenaren. We ruimden dagenlang roestige gereedschappen, oude ketting en kapotte onderdelen op. Uiteindelijk lagen we zelfs een paar centimeter hoger op de waterlijn. Langzaam werd de boot ons huis. Mijn vader leerde me de systemen kennen. Het schakelpaneel leek in mijn ogen destijds op een cockpit van een vliegtuig. “Raak deze niet aan,” zei hij terwijl hij een knop aanwees met het label 'firework launcher'. Daarna volgde een lange uitleg over welke schakelaars absoluut niet tegelijk aan mochten. “En op deze draden staat 220 volt.” “Is dat veel?” vroeg ik. Hij keek me aan alsof hij als vader had gefaald. Maar na een week sleutelen kon ik al een pomp vervangen, een brandstoffilter wisselen en in de motorruimte kruipen waar anderen niet eens bij konden. Met mijn 1 meter 65 en 55 kilo werd ik de perfecte bilge-monkey.
Jaren op het water
De jaren daarna leefden we volgens het ritme van de seizoenen. In de winter lagen we in de Bahama’s, vaak rond Staniel Cay. In de zomer voeren we noordwaarts langs Block Island, Cape Cod en de eilanden. Vrienden kwamen langs, familie kwam langs. Op Magic Bus gebeurde altijd iets. Deze overtocht moest gewoon weer zo’n migratie zijn: van de Bahama’s terug naar het noorden. We installeerden twee nieuwe motoren, controleerden de mast en laadden een twaalfpersoons reddingsvlot aan dek. Met weerberichten gecheckt en een ervaren delivery-schipper aan boord vertrokken we op 3 november. Onze schipper, Buster Pike, had duizenden offshore mijlen achter zijn naam. De rest van ons was onder de 24. Tijdens de briefing wees hij ons op het reddingsvlot. “Hopelijk hebben we het nooit nodig.” We luisterden goed. Gelukkig maar.
De eerste tekenen
We vertrokken ’s avonds om zeven uur. De eerste dag ging geweldig. We haalden snelheden tot 18 knopen en lagen ruim boven de 10 knopen gemiddeld. Maar de volgende dag werd ik wakker gemaakt door Buster. “Waar liggen de extra bilgepompen?” Dat is geen vraag die je op zee wil horen. Toen ik aan dek kwam stond iedereen rond het luik van de bakboord-motorruimte. De ruimte stond vol water. Urenlang probeerden we alles: noodpompen, improviseren met koelwaterinlaten en extra elektrische pompen. Uiteindelijk pompten vijf pompen continu, maar het water bleef langzaam stijgen.
Het moment van de waarheid
Rond half twee ’s nachts schrok ik wakker. Zeewater drupte op mijn gezicht. Een dek-luik was eruit geblazen. Buiten klapperde de half ingerolde fok in de storm. Toen viel ook de laatste motor stil. De generator startte niet meer. We dreven. Buster zat rustig noodberichten te sturen terwijl wij alvast het noodpakket samenstelden: water, energierepen en een handheld marifoon. Mijn paspoort ging in een plastic zak. Aan dek maakten we het reddingsvlot los. Ik legde misschien wel de belangrijkste paalsteek van mijn leven: de trekkoord van het vlot vast aan dek. We gooiden het pakket overboord. Geen reactie. Nog meer lijn. Nog meer. Toen – PANG – schoot het vlot open.
De stap in het vlot
Om half vier ’s nachts was het moment daar. Eén voor één stapten we in het vlot. Sam ging eerst en landde half bovenop het ding. “Je moet erin stappen!” riep Buster. Even later zaten we alle vijf in het vlot terwijl Magic Bus langzaam achter ons verdween in de nacht. Buster pakte een mes en sneed de lijn door waarmee we nog aan de boot vast zaten. We dreven.
Wachten op hulp
De uren daarna waren surrealistisch. We zaten met onze voeten in het midden van het vlot en onze ruggen tegen de rand. Niemand panikeerde. Iedereen keek elkaar alleen maar aan. Het belangrijkste apparaat was de EPIRB in Evans handen. Chirp. Chirp. Chirp. Elke piep betekende dat onze positie werd uitgezonden. We praatten over wat we als eerste wilden doen als we thuis waren: familie zien, eten, een warme douche.
Het geluid van redding
Bij zonsopgang hoorden we ineens een brom. Toen zagen we hem: een C-130 reddingsvliegtuig. Het toestel cirkelde boven ons en liet een noodpakket vallen dat bijna op het vlot landde. Met een werkende marifoon konden we eindelijk praten. “Life raft, we hear you loud and clear.” Een helikopter was onderweg.
De redding
Toen de helikopter eindelijk verscheen voelde je hem eerder dan je hem hoorde. Een reddingsduiker sprong in het water en zwom naar ons toe. Eén voor één werden we in een reddingsmand gehesen. Toen ik omhoog werd getrokken zag ik beneden het oranje vlot en de golven die ertegen sloegen. Een paar seconden later zat ik in de cabine naast mijn maten. Sam keek me aan en grijnsde. “Was dat niet ziek?”
De dag die niemand vergeet
Via een vliegdekschip werden we uiteindelijk naar een kustwachtbasis gevlogen. Daar eindigde onze dag bij Burger King. Terwijl ik mijn burger naar binnen werkte vroeg ik Sam: “Was dit niet de meest Amerikaanse dag ooit?” Boot gezonken. In een reddingsvlot gestapt. Gered door een helikopter. Geland op een vliegdekschip. Magic Bus had ons altijd al avontuur gebracht. Maar deze laatste reis gaf het bizarste verhaal.