Janneke Kuysters en Wietze van der Laan zijn weer op reis met hun zeiljacht Anna Caroline. In hun nieuwe zesdelige blog Anna Noord nemen ze de lezers mee aan boord. Dit keer zetten ze koers vanuit Nederland richting IJsland, op zoek naar nieuwe havens, ervaringen en verhalen in het hoge noorden – en weer terug. Deel 4: Geduld is een schone zaak.
Blog Anna Noord 4/6: Geduld is een schone zaak
Wietze zet een kopje thee naast me neer en legt zijn hand op m’n schouder. “Ga je een blog schrijven?” Ik knik. Hij grinnikt. “Succes! Er is zoveel gebeurd, hoe krijg je dat erin?” Ik lach terug: “Precies, dat zit ik me nu ook af te vragen.”
Laat ik maar bij het begin beginnen. We zeilden om de noordwestpunt van IJsland heen: een gebied dat er uit ziet als een hand, met de vingers begerig uitgestrekt naar Groenland. De bovenste vinger is onbewoond: de IJslanders hebben daar een Nationaal Park van gemaakt. De diepe fjorden zijn al eeuwenlang het domein van vissers, die kleine nederzettingen aan de oevers hebben gemaakt. De hoofdstad van de Westfjorden is Ísafjörður, een drukke havenplaats met nog geen 3000 inwoners. Haldur, de voorzitter van de lokale zeilvereniging, komt persoonlijk naar de steiger om nieuwe passanten te verwelkomen.
Het is een bonte verzameling boten in de haven, het merendeel is uit de categorie ‘stoer en stevig’: vol verwachting kijken ze uit naar een weergat om naar Groenland te varen. Haldur, en later ook havenmeester Hilmar, waarschuwen ons voor harde zuidenwind die er aan komt. Er kan een pittige golfslag in de haven staan, dus ze drukken ons op het hard om Anna Caroline goed vast te maken. Nog geen dag later giert de wind ons om de oren en leren we heel snel hoe het hier tekeer kan gaan.
Dorpjes en zwembaden
De dag erna is het wat rustiger en gaan we met een huurauto de boel verkennen. De fjorden zijn prachtig: steile groene bergen met, op de ondiepe stukken, azuurblauw water er tussen. De kleine dorpen hebben een rijke historie in de visserij of landbouw; hier en daar vinden we zelfs nog resten van de walvis- en haaienvaart. Elk dorp heeft, bij wet, een zwembad. Te veel vissers verdronken, dus elke IJslander moet toegang hebben tot een zwembad. Vooral de warmwaterbadjes zijn heel populair: de dorpelingen ontmoeten elkaar daar en wisselen de nieuwtjes van de dag uit. Zeilers zijn ook gek op de zwembaden: er zijn vrijwel geen faciliteiten rond de havens, dus de zwembaden zijn prima plekken om te douchen.
Ísafjörður is een gezellig plaatsje en al snel kennen we elk wandelpad, winkeltje en uitzichtpunt. De wind blijft hardnekkig in het zuiden zitten. Sophie, zeilster en medewerkster in de haven, komt een praatje maken. “Hoe zit jij met je was?” Ik trek een gezicht, want de omvang van de waszak begint wat zorgelijk te worden. “Dit is mijn adres, kom morgen maar koffie drinken.” En zo ontstaat een leuke vriendschap met haar en haar man Ásgeir.
Kansloos
Na een week lijkt de harde zuidenwind even z’n adem in te houden we besluiten om er voor te gaan. Afscheid nemen, alles extra zeevast zetten en dan gooien we los. De uitzwaaiers hebben er zo hun gedachten over. Wij halen opgelucht adem: over 180 mijl zijn we in Reykjavik; we zijn wel weer toe aan wat stadse genoegens.
De eerste tien mijl gaan goed, we varen nog in de beschutting van het fjord. Maar als we eenmaal buiten, op open zee zijn, pakken we de volle kracht van de wind. Hij giert om de laatste kaap heen en we trekken dapper de schoten aan om er zo hoog mogelijk doorheen te ploegen. Anna Caroline doet haar best en knalt in golftop na golftop. Wietze stuurt en probeert zo hoog mogelijk te komen om de kaap te ronden. Door het water maken we goede hoogte, maar over de grond varen we feitelijk gewoon heen en weer: het stroomt veel harder dan verwacht.
Uur na uur proberen we het, maar na vijf uur en drie mijl in de goede richting, kijken we elkaar aan. Dit heeft geen zin. Knarsetandend draaien we om en varen met de staart tussen de benen het fjord weer in.
De ontvangst terug in de haven is allerhartelijkst. Andrew van de Annabelle J. zegt simpelweg: “we gaan over tien minuten aan tafel en we hebben een grote stoofpot. Schuif maar aan.” Ik adem uit en knik dankbaar.
’s Avonds kijken we weer naar de weerkaarten. “We zitten hier nog wel een week,” gromt Wietze. Ik pak m’n telefoon en grinnik. “Nee hoor. We gaan overmorgen naar Reykjavik.” Ísafjörður heeft namelijk een klein vliegveld. Zondagochtend stappen we in een klein vliegtuig en nog geen uur later stappen we het eerste museum binnen. Twee heerlijke dagen dompelen we ons onder in de gezellige stad en als we ’s avonds de steiger weer op lopen, voelt het alsof we een week weggeweest zijn.
Spoofing en jamming
De dagen rijgen zich aaneen met flink wandelen, borrelen met Ásgeir en Sophie, etentjes met andere boten en klusjes. We trakteren onszelf op een uitstapje naar Vigur, een vogeleiland dicht bij Ísafjörður. Gísli en Felicity wonen en werken er; het is een populaire plek om duizenden vogels te bekijken: uiteraard papegaaiduikers, maar ook sternen en zeekoeten. Urenlang struinen we over het eiland en kijken we onze ogen uit. Vooral de sternkuikentjes zijn prachtig. Je moet wel een muts ophouden, want de sternmoeders pikken naar je hoofd om hun kroost te beschermen. Het poepbombardement treft wel doel. Gísli vertelt trots dat de enige nog overgebleven IJslandse windmolen op hun eiland staat.
En dan, na 16 dagen, gaat de poort open. Koortsachtige activiteit in de haven: zowel de Groenlandgangers als de Reykjavikgangers maken klaar voor vertrek. We gooien los en genieten van de prachtige tocht langs de westkust van IJsland. De kaart geeft ‘magnetic anomalies’ aan en de stuurautomaat laat af en toe piepend weten dat hij de weg kwijt is. Wietze gromt iets over ‘spoofing en jamming’ en pakt z’n sextant erbij om nog wat te oefenen.
Op dit traject zijn heel veel leuke plekken waar we graag ons anker uitgegooid hadden, maar met dit instabiele weer gaan we in één keer door naar Reykjavik. De bergen gooien de wind iedere keer om, dus de laatste 60 mijl krijgen we het alsnog voor onze kiezen. Maar de voldoening is groot als we vastmaken aan de voet van het prachtige Harpa concertgebouw. Reykjavik.
Gouden cirkel
We huren een auto en gaan op pad. De Gouden Cirkel is een handige route, waarbij je een paar bezienswaardigheden op één dag kunt zien. We blijven ons verbazen over alle vulkanische activiteit die als een streep van zuidwest naar noordoost door IJsland loopt. Het nationale park Þingvellir ligt precies op de scheur tussen de twee aardplaten. Het is een onwaarschijnlijk mooie plek, met ‘slootjes’ waar kristalhelder water in staat. En natuurlijk bezoeken we een geiser en een enorme waterval.
De dag erna staan we te griezelen in Grindavik. Dit ooit zo levendige plaatsje werd in 2024 getroffen door een vulkaanuitbarsting. Nog maar 10% van de bewoners is teruggekeerd. De haven functioneert nog helemaal, maar de havenmeester moet elke passant vertellen dat je elk moment moet kunnen vertrekken als de vulkaan weer uitbarst. We wandelen naar de plek waar de verse lava over de weg gestroomd is. De rook kringelt er nog steeds uit op. Stilletjes besluiten we dat we deze haven maar overslaan.
Later op de dag maken we een lange bergwandeling naar het begin van de warmwaterrivier Reykjaladur. Het is zó grappig om lekker te liggen in het warme water en te keuvelen met andere badderaars. Weer terug in Reykjavik genieten we van de hittegolf die met de noordenwind meegekomen is. De strandjes liggen vol, de terrassen puilen uit. Na alle regen die de zuidenwind gebracht heeft, zie je iedereen met volle teugen genieten.
Net Vlieland
De tijd begint te dringen, dus we gooien los voor de 110 mijl naar Vestmannaeyjar, een spectaculaire eilandengroep ten zuiden van IJsland. De natuurlijke havenkom lijkt in het hart van een vulkaan te liggen. Steile rotswanden, krijsende sternen en rondtollende wind verwelkomen ons. Ik kan niet ophouden met foto’s maken, totdat Wietze steeds stelliger begint te vragen of ik nu toch echt even een paar "willetjes en touwtjes" klaar wil leggen. Ah, natuurlijk!
Aranka en Roelof van de Beluga liggen er al een paar dagen en hebben tips om het eiland flink te verkennen. “Het heeft een beetje dezelfde sfeer als Vlieland,” zegt Roelof. We hebben er zin in, zeker omdat de zon uitbundig schijnt. Als de boot aan kant is, gaan we meteen op pad. We vallen met onze neus in de boter, want er is een groot muziekfestival met duizenden bezoekers.
’s Avonds laat kijkt Wietze gewoontegetrouw naar het weer. “Je wilt dit niet horen, maar morgen moeten we weg. Of we blijven hier nog twee weken.” Ik geloof m’n oren niet. “Kijk maar.” Hij heeft gelijk. Zuchtend gaan we de boel klaar maken. Deze oversteek is maar 400 mijl, maar het is degene waar we het meest tegenop zien, vanwege de instabiliteit van het weer.
Drie dagen later zien we de Faeroër eilanden weer opdoemen, opgelucht en blij dat we een heerlijke oversteek gehad hebben. De havenmeester komt aangereden met zijn pickup truck. “Zijn jullie er weer? Welkom!”
Klaksvik, Faeroër, juli 2026. Tekst en foto’s: Wietze van der Laan en Janneke Kuysters