Janneke Kuysters en Wietze van der Laan zijn weer op reis met hun zeiljacht Anna Caroline. In hun nieuwe zesdelige blogserie Anna Noord nemen ze de lezers opnieuw mee aan boord. Dit keer zetten ze koers vanuit Nederland richting IJsland, op zoek naar nieuwe havens, ervaringen en verhalen in het hoge noorden – en weer terug.
Blog Anna Noord 1/6: Waar zeilen we heen dit jaar?
De wind giert door de verstaging en in de jachthaven van IJmuiden is het een drukte van belang.
De Small Ships Race ligt op stootgaren en ook op onze Anna Caroline staan we te trappelen. Morgenvroeg draait de wind gunstig en kunnen we los. Aart, Wietze’s collega van de molenaarsopleiding én zeiler, klopt op het dek.
“Jullie ook klaar?”
We knikken.
“En waar gaan jullie heen dit jaar?”
We schieten allebei in een zenuwachtige lach.
“Dat kan nog van alles worden,” bekent Wietze. “We willen graag naar IJsland, maar dan moet het weer wel meewerken. En dat hebben we niet in de hand. We hebben wel voldoende tijd, dus het zou moeten kunnen.”
Ik knik, met dezelfde vlinders in m’n buik. De afgelopen vier zomers hebben we prachtige reizen kunnen maken in gebieden waar het weer voorspelbaarder was dan wat we nu gaan meemaken. Na al die jaren varen en duizenden mijlen op de oceaan blijft het spannend.
“Ach, zeilenreizen zijn altijd een natuurproduct,” grinnikt Wietze, terwijl hij Aart uitzwaait.
Hindernisbaan
Vroeger had je bij de Muppetshow twee van die moppermannetjes in het publiek zitten. Na twee dagen op zee lijken wij daar erg op.
“Het lijkt wel een hindernisbaan,” gromt Wietze, nadat we weer een keurige haakse bocht in een verkeersscheidingsstelsel gemaakt hebben. Het volgende windmolenveld doemt alweer op.
Maar toch schieten we lekker op. Na bijna vier dagen vinden we het welletjes en besluiten we het Schotse Wick aan te lopen. Zodra we telefoonbereik hebben, bel ik met Border Force in Inverness. Onze ETA visa zijn weken geleden al goedgekeurd en ons sPCR-formulier had ik voor vertrek al opgestuurd. We krijgen vijf minuten later een smsje en alle formaliteiten zijn afgehandeld, tien mijl voordat we überhaupt de haven in varen. Daar houden we van!
Twee uur later varen we met een piepende dieptemeter tussen de imposante pieren van de haven van Wick door.
Ondanks het late uur staat Andrew op de kade en even later sluit zijn baas Ian ook aan. We krijgen alle denkbare informatie en kletsen gezellig over van alles en nog wat. Ze hebben ook veel goede tips voor onze volgende etappe, waar de stroom ons parten kan gaan spelen. Wat een gastvrije ontvangst in Wick Marina, we zijn er stil van. Moe, maar voldaan duiken we een uur later ons bed in.
Schroefasvet
“Zie jij wat ik zie?” zeg ik bij het ontbijt en draai het scherm van mijn telefoon naar Wietze toe.
Die trekt een denkrimpel in zijn voorhoofd. “Met oostenwind is het hier een fuik, dus ofwel morgen weg ofwel nog een paar dagen hier blijven hangen.”
We willen de kansen grijpen als ze zich voordoen, dus het wordt een kort, maar leuk dagje Wick. Al wandelend leren we dat het plaatsje jarenlang het centrum was van de haringvangst in Schotland. Daarna kabeljauw, maar daar kwam ook de klad in.
Na vele stille jaren is er nu enorm veel activiteit en levendigheid. De reden daarvan is niet te missen: gigantische wieken van windmolens liggen op de kade. Het contrast met het historische vissersscheepje dat namens het museum dagelijks rondvaart, kan bijna niet groter.
Later zien we bij een oude steengroeve de ‘koppen’ van de windmolens liggen: zo groot als een veertigvoetscontainer. Het is grappig om te zien dat er verkeersborden staan die waarschuwen voor afsluitingen, als de wieken over de weg vervoerd moeten worden. Dat zal me een spektakel zijn.
Wietze is niet tevreden over de hoeveelheid schroefasvet die we aan boord hebben, dus we gaan op jacht. Ik vind dat altijd heerlijk, want we komen op de gekste plekken uit. Zo ook nu: uiteindelijk lopen we een werkhal van een groot onderhoudsbedrijf binnen. De voorraadbeheerder is een vrolijke man, die in de kortste keren een koker vet aan Wietze overhandigt.
“Wat kost het?” vraagt Wietze.
“Fijne vakantie!” grijnst onze nieuwe vriend.
Stomverbaasd stoppen we hem in de rugzak en bedanken hem hartelijk.
Factor 50
De 50 mijl naar Kirkwall op de Orkneys gaat als een speer. We pakken een staartje stroom uit de gevreesde Pentland Firth mee en hebben een mooie halve wind.
Toen ik havenmeester Neil van de haven in Kirkwall gisteren aan de lijn had, sloot die het telefoongesprek niet af met “tot ziens”, maar met: “vergeet je factor 50 niet.”
Huh?
“Wij zijn hier nogal witjes en er komen een paar heel zonnige dagen aan,” legde hij uit.
Ik heb het tubetje maar klaargelegd.
Al vanaf het eerste moment zijn de Orkneys een feest. Mooie veilige haven, gezellig stadje en – inderdaad – stralende zon. We lopen naar het strand van de beroemde Scapa Flow-baai. In beide wereldoorlogen is hier geschiedenis geschreven met scheepswrakken en mensenlevens. Zittend op een bankje laten we dat tot ons doordringen, hoewel het moeilijk te begrijpen is als je het witte strand en het azuurblauwe water ziet.
In de verte zien we een boot zeilen, waarschijnlijk op weg naar het schattige havenplaatsje Stromness. Er zijn veel leuke plekken hier; de Orkneys zijn op zichzelf al een bestemming voor een mooie zeilreis.
Maar nog meer parels in de kroon liggen in het binnenland. Duizenden jaren geleden woonden hier al mensen. Kleine groepen leefden aan de kust van landbouw en visserij. Pas veel later kwamen de Vikingen. Iedereen liet wat achter, en het verhaal is nog lang niet ontrafeld.
Maar als je tussen de stenen van de Ring van Brodgar staat, kun je niet anders dan onder de indruk zijn: het is een van de drie ‘henges’ op de Britse Eilanden. Stonehenge is daarvan de bekendste.
Grafheuvels zoals Maeshowe, oude dorpen als Skara Brae: er is zoveel te zien. We komen tijd en ogen tekort. Het eilandje Birsay is een van onze favorieten: er is een ruïne van een oude Noorse nederzetting en een grote vuurtoren, maar de grootste attractie is het wandelpad waarmee je alleen bij laag water op het eiland kunt komen.
Diesel
Als ik over de steiger naar de boot loop met een volle tas schone was, zie ik dat Wietze de jerrycans uit de bakskist gehaald heeft.
“Het ziet ernaar uit dat we de komende oversteek weinig wind hebben, dus ik wil er 100 liter extra in gooien,” reageert hij op mijn verbaasde blik.
Een groot Amerikaans jacht heeft de bocht naar de tanksteiger wat krap gemaakt, dus we lopen maar even met jerrycans heen en weer. Meteen onze fitness van vandaag weer binnen.
We hebben alles net weer opgeborgen, als er twee politieagenten naast de boot staan. Onze paspoorten gaan in een scanner, terwijl we gezellig met ze kletsen. Het blijkt dat ze vanuit Inverness een soort rondje langs de eilanden maken om paspoorten te controleren. Geen slechte baan, met dat prachtige weer. We horen ze ook niet klagen; de heren hebben net zo’n leuke dag als wij.
Nog één uitstapje staat op mijn wensenlijst, voordat we naar de Faeröer-eilanden gaan: de meest noordelijke whiskydistilleerderij van Groot-Brittannië. Nadat we vastgesteld hebben dat ze daar met verstand en aandacht heerlijk vuurwater maken, is het mooi geweest en maken we de boot klaar voor vertrek.
Kirkwall, Orkneys, juni 2026
Tekst en foto’s: Wietze van der Laan en Janneke Kuysters