Bestemmingen

Met een Randmeer naar Denemarken

500 mijl solo in een open boot

Redactie Zeilen
14 minuten
Met een Randmeer naar Denemarken: 500 mijl solo in een open boot
Met een Randmeer naar Denemarken: 500 mijl solo in een open boot

Denemarken ligt dichterbij dan je denkt. Met die gedachte stapt André de Bie in zijn Randmeer. In twaalf dagen zeilt hij solo naar Denemarken. Een logboek van 502 mijl, in een boot die doorgaans het IJsselmeer niet afkomt.

Het is 2023. Ik ben op Norderney, een van de Oost-Friese Waddeneilanden. In de haven raak ik in gesprek met een stel uit Wilhelmshaven. “Wij zeilen weleens naar Helgoland,” vertellen ze. “Dat is vanuit hier ‘maar’ 25 mijl.” In mijn hoofd opent er een deurtje. Al eerder maakte ik een keer een tocht over het Wad, naar het meest oostelijke deel van het Wad, en bezocht ik het eiland Langeoog. Waarom niet eens proberen om vanuit daar verder te komen?

Voorbereidingen

Solozeilen in een Randmeer is goed mogelijk, zolang je maar tijdig reeft, vooral op aandewindse koersen. Ter voorbereiding op mijn tocht laat ik daarom een tweede rif in het grootzeil zetten. Met de rolfok kan ik het zeiloppervlak nog verder verkleinen. Ook installeer ik een stuurautomaat.

Zeezeilen in een open boot is niet zonder risico. De grootste gevaren zijn zinken en brand. Daarom bereid ik altijd vóór vertrek warme koffie en lunch, zodat ik onderweg geen vuur hoef te gebruiken.

En omdat de Randmeer niet onzinkbaar is, neem ik een goed gevulde grabbag mee met onder andere stootwillen, een slaapmat, een container met noodsignalen en een extra reddingsvest. Mocht de boot zinken, heb ik een extra drijflichaam bij me. De handheld-marifoon draag ik om mijn nek of bewaar ik in de grabbag. Dankzij de huidige techniek beschik ik over alle data die ik nodig heb om te navigeren en mijn tochten vooraf nauwkeurig te plannen: positie, wind, weer, golfhoogten, stroming, et cetera. Ook onderweg ben ik zo in staat om betere beslissingen te nemen. Met al deze voorzorgsmaatregelen acht ik het verantwoord om dagtochten over zee te maken. Tel daarbij op mijn ervaring in zeilen en navigeren – maar dat is dan weer niet specifiek voor een open boot.

Twee jaar geleden eindigde mijn tocht op het twee na laatste Oost-Friese eiland Langeoog. Daartegenover, aan de Duitse vaste wal, ligt Dornumersiel, met een mooie jachthaven met trailerhelling en een parkeerplaats. Een perfect startpunt dus voor mijn nieuwe avontuur.

7 aug – Dornumersiel naar Spiekeroog

Na enkele dagen wachten op een geschikt weervenster is het zover en rijd ik met de boot op de trailer naar Dornumersiel. Tijdens het plaatsen van de mast raakt een lijntje verstrikt, waardoor de stuurboordzaling verbuigt en breekt. Zonder zaling over zee naar Helgoland is geen optie, dus die avond vraag ik rond in de jachthaven naar een lasser voor roestvast staal – Schweißen , zoals het zo mooi heet, hier. Ik krijg het advies om de volgende dag naar de lokale smid te gaan. Het blijkt een vakman: binnen 20 minuten is de zaling netjes gelast. Ik tuig de boot op en vertrek meteen. Om 17.00 uur is het laagwater en ik wil nog over het eerste wantij onder Langeoog. Drie uur voor laagwater met nog 1 meter waterdiepte lukt dat nog.

8 aug – Spiekeroog naar Helgoland

Mijn plannen om naar Wangerooge te gaan laat ik varen als ik zie dat er voor Helgoland W3 wordt voorspeld. Ik vertrek op tij(d): via het wantij vaar ik naar het zeegat Harle, tussen Spiekeroog en Wangerooge. Daar steek ik door naar zee: even kijken hoe het eruitziet. Als het niets is, kan ik altijd nog voor de wind naar het volgende zeegat Blaue Balje, of via de Jade weer naar binnen.

Om 16.30 uur bereik ik Nordosthafen. Ruim 35 jaar geleden was ik hier voor het laatst, maar Helgoland blijft bijzonder, zo in de ondergaande zon met de langs de rode rotsen omhoog cirkelende jan-van-genten.

9 aug – Helgoland naar Hörnum

Op Helgoland aankomen is één ding, maar je hebt ook goed weer nodig om naar de vaste wal te gaan. Voor morgen wordt er wisselende wind voorspeld, later toenemend tot W4. Mijn doel is het Rütergat, een goed aan te lopen zeegat onder het eiland Amrum. Ik vertrek om 9.40 uur en zeil ten noorden van het eiland Düne langs, zodat ik niet helemaal om het Naturschutzgebiet Helgoländer Felssockel hoef te varen. De wind is ZO-Z3; na Düne gaat de spinnaker erop. Omdat de snelheid er goed in zit, wijzig ik mijn plan en zet koers naar de zuidpunt van Sylt. Daar download ik het laatste weerbericht: de wind zal ruimen en toenemen naar W4. Doorzeilen naar de noordpunt is nu geen optie meer; ik wil het Lister Landtief niet met laagwater en W4 aanlopen.

Rond 16.00 uur strijk ik de spinnaker en vaar via de Theeknobsrinne en het Hörnumtief naar Hörnum. De stroom staat nog naar buiten, dus ik vaar vlak langs de noordkant van Amrum waar minder stroom tegen staat. Rond 19.00 uur ben ik in de haven.

10 aug – Hörnum naar Wittdün, Amrum

De volgende dag verken ik het toeristische Amrum, doe inkopen en maak plannen voor het vervolg van de reis. Ga ik de Noord-Friese Wadden verkennen volgens het oorspronkelijke plan, of zeil ik verder noordwaarts en kijk ik hoe ver ik kom? Mijn eindpunt ligt niet vast; ik kan altijd met trein terug naar de auto.

Er staat vandaag W4. Daarmee is verder noordwaarts langs de Noordzeekust van Sylt geen optie. De haven van Wittdün, aan de oostzijde van Amrum, lijkt wél goed haalbaar. Met twee reven en een fors ingerolde fok vertrek ik, dwars op de wind. Met golven steek ik over naar de ingang van het Amrumtief. De eerste 100 meter het wad op is het goed opletten: hoe ondieper, hoe hoger de golven. Eenmaal in de luwte achter het eiland wordt het heerlijk zeilen naar Wittdün.

11 aug – Wittdün naar Nordby

De weersverwachting oogt gunstig: ZW3 en halverwege de week oostenwind. Ik besluit verder naar het noorden te zeilen, richting Denemarken en de Limfjord. Het eerste doel is Esbjerg, zo’n 70 mijl verderop. Een uur voor laagwater vertrek ik, met nog net wat stroom mee naar buiten. Niet veel later kan de spi erop. Voorbij de noordpunt van Sylt strijk ik het Duitse gastenvlaggetje en hijs ik het Deense. Door de goed sturende stuurautomaat heb ik weinig om handen, dus ik oefen hazenslaapjes, met de wekker steeds op 15 minuten. Een bijzondere gewaarwording.

Dicht bij Esbjerg nemen wind en golven toe, en ook de stroom begint mee te spelen. De snelheid zit er goed in, maar van de golf af surfend loopt de gps op tot 11,2 knoop. Ik strijk de spinnaker en zeil iets rustiger de geul naar Esbjerg in. Om 21.45 uur bereik ik de haven van Nordby, tegenover Esbjerg op het eiland Fanø – een tip van een solozeiler die ik in Hörnum sprak. In ruim 14 uur leg ik 70 mijl af: een gemiddelde van 5 knopen.

12 aug – Nordby naar Hvide Sande

De volgende ochtend wandel ik naar het dorp voor Deense kronen en boodschappen. Met de laatste stroom mee vertrek ik motorzeilend richting kaap Blåvand. Vlakbij Horns Rev zie ik volop branding. Als ik inzoom op de elektronische kaart, blijkt er een ondiepte met slechts 40 centimeter water te liggen. Ik rond de kaap met een ruime boog en zet koers naar het noorden, richting Hvide Sande.

13 aug – Hvide Sande naar Jegindø

Op woensdagochtend vertrek ik vroeg uit de haven in verband met de noordgaande stroom. Met O3 zeil ik vlak langs de kust richting Thyborøn. Het valt op dat hier weinig jachten varen; er zijn ook weinig geschikte havens. Het zeilt mooi en snel: 45 mijl met een gemiddelde van 5,9 knoop.

Bij Thyborøn zeil ik naar binnen, tot net voorbij de industriehaven. Vanaf daar ga ik verder op de motor. De vaargeul loopt met een ruime bocht om een grote ondiepte, waar een paar enorme windmolens staan. Na de geul wordt het weer breder, dus hijs ik opnieuw de zeilen en laveer richting het oosten, met korte slagen langs de noordoever vanwege tegenstroom en golfslag. Rond 19.00 uur passeer ik de Oddesundbrug, net voor Jegindø Havn. Het is een leuke jachthaven, met alle voorzieningen die je van de Denen mag verwachten, maar verder is er weinig te doen.

14 aug – Jegindø naar ankerplek

Na een goede nachtrust vaar ik verder door de Limfjord richting het oosten, met een korte stop in Glyngøre voor boodschappen, benzine en een broodje. Er staat weinig wind en al snel begint het licht te regenen, een miezer die de hele middag aanhoudt. Tegen de avond wordt het droog en valt de wind helemaal weg. Ver buiten de vaargeul zoek ik een mooie ankerplek voor de nacht. Voor anker de tent opzetten is wat lastiger dan in een haven, maar het lukt.

Dit is mijn enige nacht voor anker; de overige nachten lig ik in een haven, vooral om de accu en telefoon op te laden. Maar omdat ik vandaag maar een paar uur heb gemotord, red ik het zonder walstroom.

15 aug – van ankerplek naar Grenå

Na het ontbijt zeil ik richting Aalborg. Zodra de bruggen in zicht komen gaat de motor aan. Ik zet een waypoint op de brug: zo zie ik precies hoe hard ik moet varen om op tijd te arriveren. Na Aalborg volgt een lang, vrijwel recht stuk water: het Langerak. De wind is inmiddels toegenomen en met de spinnaker erop en een rif in het grootzeil is het heerlijk hard zeilen.

Rond lunchtijd waait het inmiddels W4. Ik besluit onder hogerwal te blijven – wel de wind, zo min mogelijk golven – en koers te zetten naar het zuiden. Langs de oostkust liggen enkele goed aan te lopen havens, dus er zijn voldoende uitwijkmogelijkheden. Als het goed gaat, kan ik later ruimer varen richting Bønnerup. Grenå ligt 45 mijl verderop en dat is met mijn gemiddelde van 5 knopen te ver om nog voor het donker te halen.

Met twee reven en een ver ingerolde fok vaar ik om 14.30 uur naar buiten. Eerst is de zee rommelig, daarna wordt het beter. De stuurautomaat doet zijn werk en de snelheid zit er goed in. Na een uur verleg ik de koers richting Bønnerup. Naarmate ik verder uit de kust kom, bouwen de golven zich op. Het gaat zo hard, met regelmatige surfs tot zo’n 10 knopen, dat ik toch besluit koers te zetten naar Grenå. Aankomen voor het donker moet lukken met deze snelheid.

De golven komen nu schuin van achteren en worden steeds hoger. Ik stuur met de hand om te anticiperen op de golven. Het gaat hard, zeker van de golf af. Soms vrees ik dat de boeg zich in de volgende golf zal boren, maar dat gebeurt niet. Mijn Randmeer laat zich fantastisch sturen en loopt geen enkel moment uit zijn roer. Goed ontwerp van Ricus van de Stadt in 1962! Later, onder hogerwal, keert de rust weer. Net voor het donker, om 21.30 uur stuur ik de marina van Grenå binnen. De gemiddelde snelheid vandaag lag op 6,7 knoop, hoger dan de theoretische rompsnelheid.

Za 16 aug – Grenå naar Tunø

Door de ruige tocht is alles behoorlijk nat geworden. Gelukkig word ik na een koude nacht wakker met een zonnetje. De wind komt de hele dag uit het noorden, wat perfect is om verder naar het zuiden te varen.

Rond 10.30 uur vertrek ik, cruisend met grootzeil met rif en spi. Dan neemt de wind af (rif eruit), om vervolgens te draaien (spi eraf ) en weer toe te nemen (rif er weer in) en af (rif eruit). Net boven Samsø draait de wind naar het westen en neemt flink toe, dus rif er weer in en met kleine fok hoog aan de wind zeil ik in een ruk naar het eiland Tunø.

Dankzij de buiskap is alles voorin de boot droog gebleven, maar achterin is alles nat, inclusief ikzelf. In de verte zie ik een woud van masten; er liggen daar heel veel schepen voor de haven ten anker. Met de hoop dat er voor een kleine boot altijd wel een plekje te vinden is, vaar ik de haven in.

Ik val wat uit de toon, tussen de in de avondzon etende en drinkende Denen. Als een verzopen kat manoeuvreer ik tussen de rijen door, en meer af op het laatste lege plekje, helemaal achterin, naast een klassiek Storebromotorjacht. Eenmaal opgedroogd wordt het nog een gezellige avond met muziek en karaoke. Tunø op een zomerse zaterdagavond is een aanrader.

17 aug – Tunø naar Kolding

En dan komt het einde van mijn reis in zicht. Van Tunø wil ik naar Fredericia of naar Kolding, om vanuit daar met de trein terug te reizen richting mijn auto. De stroom in de Kleine Belt loopt pas rond 18.00 uur naar het zuiden, dus vroeg aankomen heeft weinig zin. Al eerder, in 2022, zeilde ik met mijn Randmeer van de westkust van Seeland (het eiland waar Kopenhagen op ligt) naar Fredericia en het weerzien is hartelijk: de imposante bruggen en opduikende bruinvisjes blijven indrukwekkend. Aan het begin van de avond komt de laatste haven van deze reis in zicht: Kolding.

Vanuit de noordelijke jachthaven is het maar een kwartiertje lopen naar het station. De volgende dag stap ik op de trein en reis via Hamburg, Bremen, Oldenburg, Leer, Emden naar eindstation Norden. Daar neem ik de bus naar Dornumersiel. Om 18.30 stap ik in mijn auto en met de trailer rijd ik terug naar de boot. Ik slaap de laatste keer aan boord. De volgende dag haal ik de boot uit het water en samen rijden we naar huis.

Precies 14 dagen duurde onze reis. Het smaakt naar meer.

Wel of niet uitvaren?

Wat is het maximum aan wind die je aankunt op een open zeilboot? Dat hangt uiteraard sterk af van de vaarrichting ten opzichte van de wind. Factoren als hogerwal, stroomrichting en de opbouw van wind en golven spelen ook een rol.

Omdat ik solo vaar en liever in de kuip zit dan op het gangboord, heb ik minder gewicht om mee te werken. Urenlang op het gangboord zitten is ook niet echt comfortabel. Aan de wind wordt het snel een natte bedoening door buiswater; op langere tochten houd je dat niet vol. Voor de wind of onder hogerwal zijn de omstandigheden beter en is het zeilen een stuk aangenamer.

Zelf houd ik windkracht 4 als bovengrens aan, waarbij ik altijd goed kijk naar de omstandigheden: windkracht 4 op de Noordzee vind ik te veel, zeker bij het aanlopen van zeegaten of havens aan lagerwal. Op het Kattegat en in de Belten is het daarentegen goed te doen. Het tweede rif in mijn grootzeil helpt bij het aanpassen aan de omstandigheden. Op binnenwater en/of met meer personen ligt die grens voor een Randmeer overigens een stuk hoger.

De boot met mijn 30 jaar oude kampeertent.

Uitrusting

• Papieren kaarten: NV Chart DE13 en DE10 tot Sylt
• Elektronische kaart voor op smartphone en iPad: Na Sylt
• Kompas en verrekijker
• Reddingsvesten (2 stuks reserve)
• Grabbag met extra drijfvermogen, noodsignalen, water, et cetera
• Noodsignalen: flares en parachutes
• 12V-accu voor de stuurautomaat en opladen van smartphone en iPad
• Handheld-marifoon met ais
• Radarreflector op de zaling
• Dieptemeter: peilstok van 1,5 meter
• Hoofdanker met zware ketting en lijn
• Tweede anker met lijn
• Zeilkleding: jas, jollenbroek, laarzen, muts, pet
• Zitkussen
• Puts
• Jerrycan met water
• Tank met benzine (12 liter) en reservejerrycan (5 liter)
• Wit rondom schijnend licht (top/anker)
• Multimeter en basisgereedschap
• Vouwfiets
• Kampeer- en kookuitrusting
• C-stekker met 10 meter verlengsnoer
• Lader voor accu, telefoon en losse 12V-usb-lader
• Voldoende eten en drinken voor 3 tot 4 dagen
• Wel mee, niet gebruikt: wadpoten voor droogvallen

Leven op een Randmeer

Eenmaal in de haven is mijn eerste prioriteit het krijgen van stroom. Dat is essentieel voor de stuurautomaat en de navigatie. De buitenboordmotor levert ook wel stroom, maar die gebruik ik nauwelijks.

Tijdens meerdaagse tochten plaats ik mijn 30 jaar oude katoenen tent met boogstokken over de boot. De kleur van het doek en de ramen geven een prettig ruimtelijk gevoel. Liefst zet ik de tent op zodra ik de stroom geregeld heb: dan blijft de boot zo droog mogelijk, ook als in de avond de temperatuur daalt. Meestal neem ik de tijd om het doek te laten drogen, voor ik de tent inpak.

Als de tent staat maak ik eten. De kook- en eetspullen zitten in het achtercompartiment, zelf zit ik dan op een krat. Met het kookstel op de kuipvloer en het achterluik open heb ik alles onder handbereik. Na het eten ruim ik alles op en rol ik mijn matras en slaapzak uit. Aan de giek hang ik een lamp: altijd handig als je in het donker terug aan boord komt. In de ochtend kook ik water voor koffie in de ochtend en voor onderweg. Tijdens mijn ontbijt smeer ik meteen de boterhammen voor de lunch.

Ik zorg voor voldoende (houdbaar) eten aan boord: soep, nasi, achter ham en gehaktballen in blik. Samen met brood, rijst of pasta is hier al gauw wat van te maken. Bijna in iedere haven zijn fruit, groente, salade en eieren te koop. Uiteindelijk eet ik best gevarieerd en gezond. Tijdens deze tocht ben ik maar twee keer uit eten gegaan, wat voor mijn doen weinig is tijdens de vakantie.

Surfen tussen Hals en Grenå.

Vocht aan boord

De grootste uitdaging aan boord is om de telefoon en iPad opgeladen te houden, ondanks het vocht. De waterdichte telefoonhoes helpt, maar niet altijd. Met name de usb-poort van de telefoon is erg gevoelig. Met wat zon en een föhn (in het sanitairgebouw) lukt het toch iedere keer weer te laden.

Solovaren

Ik vaar regelmatig alleen en dat kan ook prima. Lastig zijn: fok uitbomen, spinnaker zetten, toiletteren. De stuurautomaat is hierbij een goed hulpmiddel. Een paar tips:

• Bereid je vertrek en aankomst goed voor. Controleer alles, leg klaar wat je later nodig hebt.
• Draag altijd een zwemvest, ook als je voor anker ligt en naar het voordek gaat (bijvoorbeeld ’s avonds op de Wadden).
• Toiletteer altijd in een emmer in de kuip.

Je neemt automatisch een grotere veiligheidsmarge, is mijn ervaring.

Ik krijg vaak de vraag: is het wel leuk in je eentje? Zeker! Met een open boot krijg je veel aandacht, zeker als je zeehaven in komt. Ik vraag ook eerder hulp, bijvoorbeeld bij het afmeren. Zo leg je makkelijk contact.

Het grote voordeel van solozeilen? Je draagt altijd de verantwoordelijkheid en kunt of hoeft nooit iemand anders de schuld geven als het anders loopt dan gedacht.

Tekst: André de Bie

Verder lezen

Het volledige artikel lees je in Zeilen 07/2026 en voor abonnees ook hier digitaal. Nog geen abonnee? Bestel nu een digitaal jaarabonnement op Zeilen, dan heb je direct toegang tot dit artikel en vind je in ons digitale archief nog veel meer. Óf bestel hier een jaarabonnement 12x Zeilen+ digitaal lezen, dan krijg je maandelijks ons magazine thuisbezorgd én heb je met onze app altijd en overal de kennis van Zeilen tot je beschikking.

Meer Bestemmingen