Voor zeilers, door zeilers

Vijf snelle Scandinaviërs; licht = snel

In nummer 1 van 2003 vergelijken we vijf snelle Scandinavische boten van ruim twaalf meter. We cons…

In nummer 1 van 2003 vergelijken we vijf snelle Scandinavische boten van ruim twaalf meter. We constateerden op basis van de proefvaarten dat de boten elkaar op snelheid nauwelijks ontlopen.

We analyseerden ook de meetbrieven, waarin immers een snelheidsprognose wordt gemaakt, waarop de boten bij verschillende windkracht en koers een tijdcompensatie krijgen toegekend. Deze ‘Time Alowances’ (TA) kunnen omgerekend worden tot een snelheidsprognose, een Velocity Prediction (VP). Let wel, het gaat hier niet om de waarheid uit de praktijk, maar om een voorspelling op basis van een aantal meetgegevens. Toch is de vergelijking interessant.

Op deze site becommentariëren we de meetbrieven van de vijf boten. In ons testartikel vertrouwden we meer op de geconstateerde verschillen, hier analyseren we de VP’s.

De vergelijking van de meetbrieven wijst naar de conclusie van de test dat deze boten op alle koersen en bij alle windsterkten onder de twintig knopen dicht bij elkaar in de buurt blijven. De verschillen blijven over het algemeen binnen enkele tienden van knopen en soms zijn de verschillen maar enkele duizendsten van een knoop. Kijk maar even naar de verschillen tussen de nummers 1 en 2 op kruiskoersen bij 14 knopen wind. Het verschil tussen de Comfortina en de Wasa bedraagt daar 0,002 knoop! Het maximale verschil op kruiskoersen tussen nummer 1 en 2 bedraagt trouwens maar 0.08 knoop, om bij een normale aandewindse koers van 52° op te lopen tot één tiende. Het grootste verschil tussen de eerste en de laatste treffen we aan bij 14 knopen wind met een ware windhoek van 150°, het grensgebied tussen ‘reach’ en ‘run’. De X blijft daar volgens de meetbrief 0,6 knoop achter bij de koploper, de Faurby.

Opvallend zijn de voorspelde prestaties van de twee koplopers, de Wasa en de Faurby. Deze boten wisselen op aandewindse en flink ruime koersen stuivertje tussen de posities 1 en 2. Toch zijn het heel verschillende schepen. De Faurby met matige overhangen, een smalle waterlijn en dekbreedte, rechte kimmen. De Wasa, flinke overhangen, niet erg brede waterlijn, maar een forse dekbreedte. Ook het aandewindse zeiloppervlak verschilt niet veel. Het enige dat de boten bindt, is het gewicht. Beiden zijn in dit veld zeer lichte boten. En licht gewicht betekent snelheid!

De Wasa behoudt haar koppositie op alle windrichtingen en bij alle windsterkten onder de 20 knopen. De Faurby verliest zijn koppositie op aandewindse koersen bij 20 knopen wind. We schreven dat in het artikel toe aan de forse helling van de boot op aandewindse koersen als de wind aantrekt. Dat is het gevolg van de relatief smalle waterlijn. Maar ook de vrij rechte kimmen spelen een rol. De Wasa ondervindt, als ze eenmaal de lage kant van het dek onderwater vaart, een forse opwaartse druk van de holte onder het brede dek. Maar de vrij rechte kimmen van de Faurby verhogen bij een helling van meer dan 25° nauwelijks de vormstabiliteit. De Faurby ‘reeft zichzelf’ door schuin te gaan hangen, constateerden we in het artikel in Zeilen 01-2003. Dat wordt bevestigd door de VP van de meetbrief. We kunnen er aan toevoegen dat de effectiviteit van deze natuurlijke reefkwaliteit echter wat te sterk is. De boot blijft het wel goed doen op zeer ruime koersen. Dat is ook wel te verwachten, want de boot helt dan niet zo veel. En dan geldt weer: licht is snel.

De Comfortina heeft wat wind nodig, maar dan vaart de boot hoog en snel, met name aan de wind. Hij neemt zelfs enkele keren de koppositie over, hoewel het verschil met de Wasa klein blijft. Op de ruimere koersen moet de boot licht inleveren: de 1/3 grotere waterverplaatsing ten opzichte van de Wasa gaat dan tellen.

De Finngulf is in deze kritische selectie van snelle boten een goede middenmoter die op alle koersen en bij alle winden licht achterblijft bij de koplopers, maar over het algemeen zeer constant presteert. De X tenslotte, blijft licht achter bij de rest in dit het veld. Merkwaardig is de dip in de VP bij 14 knopen wind, als de boot met een knik in de schoot vaart. We dachten aan een fout, maar deze terugval in snelheid komt voor in alle drie de meetbrieven die we raadpleegden. Een goede verklaring hebben we niet. We denken dat de boot op deze koers bij deze windsterkte nog net niet genoeg profiteert van haar forse dekbreedte. Toch, als u de absolute waarden nog eens bestudeert, zult u met ons tot de conclusie komen dat de X ondanks haar bejaarde ontwerp in dit veld nog alleszins mee kan! Misschien moet bij haar meting de ‘verouderingsbonus’ wat hoger zijn.

We komen dus tot het volgende lijstje van de gemiddelde snelheden:

1.Wasa

2.Faurby

3. Comfortina en Finngulf delen de plaats, de eerste door haar uitschieters aan de wind als het door gaat waaien, de tweede van wege haar constante prestaties.

5. X

Als het goed zou zijn, zouden we deze volgorde terug moeten vinden in de ‘General Purpose Handicap (GPH)’ op de meetbrief, want snelle boten zouden moeten worden afgestraft om de prestaties van de bemanningen te meten. De Wasa zou dan de minste GPH moeten hebben en de X de hoogste. En dat klopt: De Faurby en de Wasa ontlopen elkaar niet veel met een GPH van rond de 594, de Comfortina en de Finngulf scoren rond de 606 en de X heeft een handicap van 612 (een andere meetbrief geeft 614 aan). De X mag dus in een wedstrijd gemiddeld 0,19 knoop langzamer varen dan de Wasa. Of dat de concurrentie aan de meet het nakijken geeft, kunnen we vooralsnog niet beoordelen.



Bekijk ook de individuele VPP-diagrammen: Wasa IMS 41.1, Faurby 424, Comfortina 42, Finngulf 41 en X-412 MK III.