Column

Zeilplannen zonder vader

Column Wieke van Oordt

Redactie Zeilen
4 minuten
Column Wieke van Oordt: Zeilplannen zonder vader
Column Wieke van Oordt: Zeilplannen zonder vader

Wieke van Oordt doet afwisselend verslag in Zeilen van haar avonturen als opstapper en als schipper. In 2020 publiceerde ze het boek Steigerjunkie en in 2021 kocht ze haar Beneteau First 26, Avalon, waarmee ze steeds verder de grenzen van haar vaargebied verlegt.

Column: Zeilplannen zonder vader

Mijn vader kwam me opzoeken tijdens mijn liftreis over het water. Ik wist van tevoren vaak niet waar ik die avond zou ovenachten, maar het lukte een keer om samen plannen te maken. “Ik heb morgen een lift op een boot die me tot Cuijk mee kan nemen! Kom je naar me toe?”

Het was zomer, daar in Cuijk. Misschien niet volgens de kalendermaanden, maar ik was toch al het gevoel van tijd kwijt. Het was warm, heel warm, ik noemde het zomer. Ik at met mijn vader op een terras en overnachtte in een B&B. Heel luxueus om niet op een kajuitbank of in een tentje op een jachthavengrasveldje te slapen. Ik had mijn volgende lift al geregeld en wist al dat ik de volgende ochtend mee mocht met een schip, ze zouden langs Cuijk varen en ik mocht een stuk mee de rivieren af. Misschien zetten ze me af in Nijmegen? Doesburg? En daarna zou ik wel weer zien met welke boot ik verder de provincies doorkwam. In de B&B vroeg ik de uitbaatster of ik morgenochtend om vijf uur koffie kon krijgen.

“Hóé laat?” zei ze. “Waarom dat dan? Dan komt een boot je ophalen?” Ze haalde haar schouders op. “Jeetje, je moet het maar leuk vinden, hè.”

Mijn vader en ik zetten de wekker en liepen vlak voor zonsopgang door het lege stadje, naar de kade van Cuijk. Er liep een man met wandelschoenen over de keien, ik zag binnen in een café iemand vegen. Op de kade gingen we met onze rug naar het dorp staan en keken we naar het water en de weilanden erachter. De zon kwam dik en rood op en zette het landschap in vuur. Koeien hielden hun koppen dicht bij het gras. Kwam daar in de verte iets over het water aan? We keken in de richting van het steeds harder wordende geluid van een scheepsmotor tot er zich een schip bij voegde. Een liggend flatgebouw zwaaide langzaam naar de kant. Een jonge vrouw stond op de punt, zwaaide naar ons.

“Twintig, tien, goedemorgen, acht, zeven…” Ze praatte in een marifoon, die ze voor haar mond hield.

“Zes.” Ze gaf het aantal meters door dat het schip van de kade verwijderd was.

“Vier, drie.”

Hoe kalm was haar stem. Ik kromp een beetje ineen terwijl ik me bedacht hoe ik zelf altijd de verdwijnende meters doorgaf naar degene die achter het roer stond. “ZEVEN! ZES! DENK IK! IK KAN HET NIET GOED ZIEN. O, MAN WE GAAN KEIHARD DIE BOOT RAMMEN!”

“Twee, één, we leggen niet vast, hoor. Kom maar.” Ik pakte haar uitgestrekte hand en opeens was ik aan dek en keerde het schip terug naar zijn koers. Ik zei hallo tegen de schippersvrouw en terwijl ik mijn inmiddels gebruikelijke uitleg over mijn liften per boot afstak – nee, ik vond het niet eng om bij wildvreemden aan boord te stappen – draaide ik me om en zag mijn vader snel kleiner worden. Ik zwaaide. Hij zwaaide terug, pakte iets uit zijn zak, hield het tegen zijn ogen terwijl hij zich omdraaide en wegliep. Ik had mijn arm nog in de lucht toen het tot me doordring wat het was dat hij pakte. Een zakdoek.

Geen tijd. Geen tijd. Ik had schippers te ontmoeten, handen te schudden, havenmeesters te spreken, liften te regelen. Ik kwam verhalen van anderen halen, maar negeerde dat van mezelf. Lifters nemen niet de luxe te reflecteren. Ik dwong mijn concentratie de wal af en het water op.

Dagen later, op een zeldzaam moment alleen, belde ik mijn vader op, terwijl ik op warme jachthavenkeien zat, met mijn voeten bungelend boven het water. Een endje verderop sprongen jongens van een brug het zomerwater in.

“Ik schoot inderdaad opeens vol, daar in Cuijk,” zei hij. “Ik wilde het thuis vertellen, dat ik jou tijdens je bootliftreis was gaan opzoeken. Maar daar is dus nu niemand meer om het te horen.”

Mijn moeder overleed een paar maanden voor ik de liftreis bedacht. Ze heeft nooit van dat avontuur geweten. Ze heeft nooit geweten dat ik daarna zelf ben gaan zeilen, zelf ben gaan schipperen, zelf ben gaan schrijven over mezelf. Mijn vader speelde voor twee. Ik belde tijdens of na elke boottocht, ik appte alle foto’s en filmpjes door. Kijk, nu liggen we hier, het weer was goed, de bemanning was gezellig. Kijk, nu varen we daar, was jij hier niet ook ooit, samen met mama misschien. Zes jaar lang hield hij nog mijn nieuwe leven bij, wist hij nog precies wie ik was. Hij heeft deze verrassende ontwikkeling in mijn leven helemaal meegemaakt, al was het dan steeds meer vanaf de zijlijn. Toen ik mijn eigen boot kocht, was mijn vader al niet meer in staat om langs te komen. Het boek dat ik schreef, heeft hij gelezen maar de voorstelling van Steigerjunkie heeft hij niet meer kunnen bezoeken. En nu hij overleden is, zal hij van de rest van mijn zeilleven niet weten.

“Wat zijn je verdere zeilplannen?” Ik zit met een zeiler de rest van het seizoen door te spreken en het volgende seizoen en dat daarna. Ik wil mee met een boot naar Helgoland, ik heb nog ankerplannen onder Vlie, ik wil op de Oostzee mee, ik wil bij dat strand voor de Marker Wadden liggen, ik wil… Mijn tranen stoppen mijn stem en mijn uitleg. Het worden de eerste tochten en de eerste foto’s, filmpjes die ik niet meer naar hem zal sturen. Aan wie ga ik mijn verhalen vertellen? Voor wie ga ik voortaan schrijven?

Meer Column