Olav Cox voert sinds 2002 aankoopkeuringen uit van zeiljachten. Daarbij komt hij nogal eens in opmerkelijke situaties terecht. Onderstaande Dagboek van een keurmeester is gepubliceerd in Zeilen 07/2026.
Osm@#!%$e?!
Tijdens een deelkeuring van een polyester zeiljacht is ook de eigenaar aanwezig. Echt aanwezig: hij is groot, heeft een krachtig postuur en laat zijn luide stem duidelijk horen. Een heel ander type dan mijn wat introverte opdrachtgever. De eigenaar van het jacht vindt het allemaal maar onzin, zo’n keuring van het onderwaterschip en steekt dat niet onder stoelen of banken. De boot is immers pas elf jaar oud en heeft elke winter in een verwarmde loods gestaan. Hij heeft nooit bezuinigd op het onderhoud dat is uitgevoerd door professionals. Daarbij is het nog een jacht van een zeer gerenommeerde werf ook. Zelf heeft hij de boot bij aanschaf niet laten keuren; zonde van het geld. Maar als de koper het per se wil…
Ik vraag de eigenaar om toestemming voor nader onderzoek en verbluft gaat hij akkoord
In de tien minuten dat we naar de kraan varen, met de eigenaar aan het roer en mijn opdrachtgever op het voordek klaarstaand met een lijntje, kijk ik aan boord een beetje rond en ik moet zeggen, het jacht ziet er tiptop uit. Ik kan me voorstellen dat de eigenaar zich een beetje beledigd voelt dat er om een deelkeuring is gevraagd. De hijsbanden hangen al klaar en nadat we via de glanzende preekstoel op de kant zijn gestapt, begint de kraan te brullen en komt de strak aangebrachte antifouling steeds verder boven water. Afspuiten is niet nodig, de boot ligt er nog maar een week in. Tijdens het opdrogen van het onderwaterschip loop ik rond de boot en controleer zaken als roerblad, boegschroef, verbinding tussen kiel en romp, schroefas, vaanstandschroef, anodes en huiddoorvoeren. De eigenaar keurt over mijn schouder mee en meldt bij alles waar ik naar kijk dat het er perfect uitziet. Mijn opdrachtgever houdt gepaste afstand.
Ondertussen is de antifouling opgedroogd en begin ik met de nadere inspectie van het onderwaterschip.
Eerst maar eens afkloppen met een kunststof hamertje; alles klinkt goed. Daarna een visuele inspectie van het oppervlak met strijklicht. Bakboord voor beginnend loop ik langzaam langs de boot richting de spiegel, met mijn hoofd dicht bij de romp. Zo kan ik, bijna parallel kijkend langs de huid, op zoek naar oneffenheden. Op een enkel achtergebleven pluisje van de vachtroller waarmee de antifouling is aangebracht na, is er weinig te vinden, zo vindt ook de eigenaar die inmiddels wat blauwe vegen op zijn voorhoofd heeft.
Vanaf de spiegel ga ik aan stuurboordzijde weer op weg naar de boeg. Pal onder de kuip wordt mijn aandacht getrokken door wat lichte bultjes. Het zal toch niet? Ik laat het even voor wat het is en maak, op de voet gevolgd door de eigenaar die niets heeft opgemerkt, de visuele inspectie van het onderwaterschip af. Alles glad, behalve dus die plek onder de kuip.
De grote vraag is uiteraard: betreft het osmose of niet? Ik vraag de eigenaar om toestemming voor nader onderzoek en verbluft gaat hij akkoord. Het gaat om zo’n dertig bultjes op ongeveer een halve vierkante meter. Na wat onderzoek met zintuigen en gereedschap waarbij nu ook mijn opdrachtgever op mijn vingers meekijkt, blijkt het te gaan om blaasjes tussen de gelcoat en het laminaat, gevuld met een bruinige vloeistof die vettig aanvoelt en ruikt naar azijn. Conclusie: er is tenminste plaatselijk osmose aanwezig in het onderwaterschip. Mijn opdrachtgever kijkt bedenkelijk, maar de eigenaar reageert als door een wesp gestoken. “Hoezo, osm@#!%$e?! Meneer de expert, ik weet niet waar u uw zogenaamde vak heeft geleerd, maar ik kan u één ding verzekeren: deze boten hebben dat nooit!” Hij is er klaar mee, de keuring is voorbij. Zijn ‘echte’ professionals zullen er naar kijken en dan hoor ik nog wel wat het was.
Een paar maanden later krijg ik een mailtje. Of ik tijd heb om voor hem een boot te keuren.