Al tien jaar probeert Gerben Bergsma de Frisia Cup van KWV Frisia Grou te winnen. Hij zet er veel voor aan de kant en spaart kosten nog moeite, maar tot nu toe blijft de winst uit. “Het is tijd voor ingrijpender maatregelen.”
Het is een tamelijk afzichtelijke beker. Pompeus, grote oren, klein marmeren voetje. Je moet hem zelf laten graveren als je hebt gewonnen. Maar daar gaat het ook niet om. We willen gewoon een keer als eerste finishen.
Aan onze inzet of de boot zal het niet liggen: we hebben een spinnaker aangeschaft, een overloop en nieuw tuig geïnstalleerd. Nog steeds: derde plaats. Daarna een Zweedse Safir van 10 meter gekocht: nog steeds derde. De hele winter door getraind: terug naar de vijfde positie.
Veel te zwaar
De Safir gaat in de verkoop; we gaan het weer proberen met een open dagzeiler. Elk jaar dat het niet lukt om te winnen, krijgen we een gunstiger handicap. Desondanks sukkelen we meestal hopeloos achteraan in het klassement. Vooral voor de wind is het jachtje niet vooruit te branden. Aan de wind lopen we redelijk hoogte, maar zeker niet meer dan dat, en boven windkracht 4 ligt de boot hopeloos op de kant snelheid te verliezen.
Hofstra in Snakkerburen zei het al, toen hij in een koude winter nieuwe kielbouten oplaste, tijdens de ingrijpende verbouwing van kajuitjacht naar dagzeiler: “Allemachtig, dat ding weegt een ton! Dat dat skip noch sile wol mei sa’n k*tkiel is in wûnder .” Maar het was geen wonder, want de boot zeilde niet.
Ook zeilmaat Gerben Sikkema had zich bij windkracht 6 bij het Kruis van Heeg vertwijfeld afgevraagd, terwijl we ons tergend traag door de tegemoetkomende golven van een toornig Heegermeer worstelden: “Wat voor kiel zit er onder dit ding?”
Het werd me langzaamaan duidelijk. Als we iets wilden, moest er iets gebeuren aan de kiel. Die kiel is lang en ondiep en bestaat uit een polyester mantel die is volgegoten met beton. Wat er nog meer in zit is een raadsel.Maar het is duidelijk dat het ding zwaar is. Veel te zwaar. Ik besluit op zoek te gaan naar een tweedehandsje.
Sloopkiel
Ik meet het tuig op en zoek op Sailboatdata naar vergelijkbare schepen qua lengte breedte en zeiloppervlak. Op Marktplaats formuleer ik zoekopdrachten: Waarschip 570, Waarschip 600, Kolibri 560. De kiel van een Waarschip 570 in Brabant blijkt gebroken. Helaas. Ergens achter Groningen, in een drassig weiland, staat een Kolibri 5.60 op een trailer te koop. De boot staat vol water, de romp is blijkbaar waterdicht, het interieur is verveloos, het dek verrot, hier en daar zitten met de moed der wanhoop aangebrachte klodders epoxy en kit. “Ja, er moet nog wel wat aan gebeuren,” zegt de jonge verkoper.
Ik barst in bulderend lachen uit. Daarna schep ik de boot leeg. De moeren van de kielbouten staan dik in het vet, de draad is onbeschadigd. Ik bied 100 euro. Hij accepteert het bod.
“Zo, flink wat werk gekocht,” zeg ik tegen de tiener.
“Dat is nu uw zorg,” is zijn antwoord.
Jasper Visser, die de kiel zal gaan plaatsen, haalt op de werf van Brandsma de kiel onder de Kolibri vandaan.
Met mijn jongste zoon Otte sloop ik er daarna alle bruikbare onderdelen van af. Die zetten we op Marktplaats. De patrijspoorten gaan naar Limburg. De trailer naar Sneek. De lieren naar Houten, en de mast, giek en zeilen worden door iemand gekocht voor zijn bootje aan de Zwarte Zee. Het levert al met al zo’n 550 euro op. Even overweeg ik Bergsma’s Boot Sloperij B.V. te beginnen.
Ik bel met de vuilstort. “Kan ik een Kolibri komen brengen?”
“We accepteren stukken van maximaal 2 meter.” Met de kettingzaag zaag ik de boot in drieën, gooi de stukken op een kar en kieper het geheel de houtbak in.
Waar moet de kiel?
Nu heb ik een boot en kiel, maar waar plaats ik dat ding nu precies? Ik zoek op internet en kom terecht bij een gratis computerprogramma van Delftship, waarmee je van alles kunt ontwerpen. Maar als ik eenmaal de hele boot heb opgemeten, krijg ik het programma niet open. Ik schaf het handboek Principles of Yacht Design van Elliasson aan. Daaruit leer ik dat de kiel zo’n 3 tot 7 procent achter het zeilpunt moet staan. Kijk, dat biedt houvast. Ik leg mijn berekeningen even aan Jasper voor. Die lacht en zegt: “Vroeger bepaalden de skûtsjeschippers op het oog het draaipunt van het zwaard. Ze liepen langs de romp en plakten een stukje pruimtabak op de romp waar het zwaard moest komen. Ik zal Bein wel even vragen.” Bein Brandsma bouwt zijn leven lang al houten schepen. Op zijn werf heerst een serene rust. Het is heerlijk om er te werken.
Bein heeft een even geniaal als simpel antwoord. Hij trekt een loodrechte lijn door het middelpunt van de diagonalen van de oude kiel. Dat moet het lateraalpunt zijn. Op de romp plakt hij geen pruimtabak, maar een stukje schilderstape. Op de nieuwe kiel trekt hij op dezelfde manier een lijn. Die vormt het uitgangpunt om de plek te bepalen op de zware eikenhouten wrangen waaraan de nieuwe kiel komt te hangen. Jasper brengt een eikenhouten, 10 centimeter dik passtuk aan tussen romp en kiel, om meer diepgang te creëren. In plaats van 90 centimeter is de diepgang nu 1,14 meter.
De zaterdagen erna vullen zich met plamuren, schuren en coaten. Het is meditatief en heilzaam werk. Uiteindelijk is het klaar. Ik schilder de zwarte romp nog even in racing green en dan gaat de boot het water in. Met zoon Franke zet ik de mast erop. We hijsen de zeilen en doen een slag. Meteen zitten we muurvast aan de kant. O ja, extra diepgang.
Victory at last
Tijdens de eerste wedstrijden van het nieuwe seizoen blijken we harder en hoger te varen dan ooit tevoren. Met name na overstagmanoeuvres springt de boot sneller aan. Niet langer blijven we mijlenver achter de Efsix en een 16m2, maar er vlak achter. Mensen vragen verbaasd wat we onder de boot hebben gesmeerd. Wij roepen dat groen nu eenmaal sneller zeilt dan zwart.
Na tien zomeravondwedstrijden en zo’n dertig potjes komt de heilige graal dan eindelijk binnen handbereik. Eén winter mogen we die foeilelijke beker op onze schouw stallen. Vooruit, een beetje zoals Tonny de Jong ooit kampioen werd op klapschaatsen terwijl de concurrentie nog op noren reed, maar toch…Victory at last!
Tekst en beeld: Gerben Bergsma. Dit artikel verscheen in Zeilen 07/2026