Drie open bootjes dwars door Friesland: Team Randmeer
Drie open bootjes dwars door Friesland: Team Randmeer
Hoofdcategorie aan boord

Drie open bootjes dwars door Friesland: Team Randmeer

Tweede deel van drie: Team Randmeer

Redactie Zeilen
7 minuten

Wat is leuker dan met een goed zeilende open boot, met een dektent voor de nacht, de groene wereld van Friesland te ontdekken? Juist… Niets! En dus trekt de redactie van Zeilen met drie kleine bootjes dwars door Friesland: Team Valk, Team Randmeer en Team Fox. Het doel: laten zien hoe leuk het is om op de bonnefooi door Friesland te trekken met een boot die je hier overal kunt huren. Het volledige artikel is te lezen in Zeilen 08/2026 en voor abonnees hier digitaal. In dit tweede deel van drie: Team Randmeer met Marinus, redacteur Zeilen, aan de helm.

Team Valk, Team Randmeer en Team Fox bijeen om de routes te bespreken

Team Randmeer

De helmstok trilt in mijn hand, een dof schuren klinkt door de boot. Het riet ruist op een meter afstand. “Kun jij het zwaard ophalen?” vraag ik mijn zeilmaat Diede, terwijl ik verder naar het midden van de sloot stuur. Hij trekt aan een talie bij de mastvoet en het schuren verstomt. Het helmhout is weer rustig en we stellen de zeilen van onze nog nieuwe Randmeer bij.

Sinds Jachtwerf Heeg vorig jaar in eigendom overging naar onder andere de werknemers, verhuurt die zelf geen Randmeren meer. Het toeval wil dat de vrij nieuwe en goed geoutilleerde Randmeer Advance van gewaardeerd familielid C. er in onderhoud is. Hij is akkoord, dus wij gaan met z’n tweeën twee dagen op pad in Friesland.

Thuis op het water

“Eerst nog even een stukje naar rechts en dan de Yntemasloot in,” zegt Diede, terwijl hij naar een rietpol in de verte wijst. We zijn net vertrokken uit Heeg. Als schipper op het honderd jaar oude skûtsje zondermotor Gudsekop kent hij Friesland als zijn broekzak. “Vanuit Akkrum dan, hè. De westkant is net wat ver weg om louter op zeil te doen, ik kom dus niet vaak in Workum. Zullen we daar naartoe?”

Een glanzende platbodem komt ons halve wind tegemoet. Als een kind dat zijn handen door het gras laat gaan, streelt de boot met zijn giek de toppen van het riet aan de oever. De vleugel wappert speels in top. Niet alleen de mensen genieten van Friesland.

Dinersteiger

We slaan rechtsaf richting Oudega en hijsen een knisperend oranje spinnakertje. Klein, maar helemaal wedstrijdgemeten en misschien wel sneller dan de genua op deze voordewindse koers. “Helemaal achterin linksaf liggen MarBoeien van de Marrekrite,” vertel ik Diede. “Zullen we daar even gaan liggen voor een korte pauze?” De MarBoei op de Bombrekken ligt uitstekend voor de koffie, “maar om te koken op een gasje is een solide steiger wel fijn,” vindt Diede. Op de heenweg doorkruiste de vaargeul diverse meertjes, waartussen volgens de kaart allerlei Marrekrite-steigers liggen. Diede wijst op de kaart naar het Zandmeer. “Als we toeristisch terugkruisen en de eerste links pakken, zijn we daar met het avondeten.” Zonder trapezevest – deze Randmeer heeft een trapeze voor de wedstrijden – en in relatief nauw vaarwater is een rif nu wel nodig. Met het zwaard op z’n diepst kruisen we naar onze dinersteiger.

“Een steiger kookt inderdaad steviger,” beken ik aan Diede, terwijl ik mijn bord leegschraap. Honderd meter verderop vliegt een stel ganzen luid gakkend weg, een fuut haast zich het riet in naar haar luid piepende kroost. Volgende keer neem ik een campingstoeltje mee, want ondanks de kussens zit ik als op een stoeptegel.

Suite voor twee

“Hoe heb je geslapen?” “Tja, als op een boot.” In een Valk of Zestienkwadraat pas je met zijn vieren, omdat je je benen in het achteronder kunt steken. Het achteronder in een Randmeer heeft een luik aan de bovenzijde, dus slapen onder de dektent doe je met z’n tweeën, anders wordt het stapelen.

De geleende dektent (paar keer uit de zak geweest, maar twintig jaar oud, een risico bij tenten als het gaat om waterdichtheid) heeft zich goed gehouden. Diede bakt eieren, terwijl ik het dozijn waterdichte tassen-metspullen-voor-alle-weersomstandigheden terugstouw onder de gangboorden en in het vooronder.

‘En nou opdonderen’

De eerste brug bij Workum staat open. Er gaat alleen een trein overheen en in tegenstelling tot andere bruggen gaat deze alleen dicht als er een trein overheen moet. ‘Geen bediening voor open boten’ staat er op een bord op de tweede brug, waar wel auto’s overheen rijden. “Uitgaande van een Valk,” stelt Diede. Ik stuur de boot naar het remmingwerk aan stuurboord. Op een van de palen zit een verkeerslicht-op-groen-knop: eentje op ooghoogte en de andere voor als je op de zaling zit, of voor motorjachten. Diede drukt op de knop. De mast van de Randmeer is strijkbaar, maar aan de steiger is dat al een gedoe, laat staan op het water voor een brug. Bovendien ben je zo een half uur verder.

Workum is een oud en mooi stadje, dat door zijn historie een enigszins ongewone indeling heeft. Het plaatsje, dat rond 1400 stadsrechten kreeg, bloeide als gevolg van de handelsvaart met de Oostzee en de toegang tot het Friese achterland. Later werden er ook veel schepen gebouwd, onder andere op Scheepstimmerwerf De Hoop. De zwart geteerde houten loods staat bij de sluis, aan het begin van It Soal, het kanaal naar het IJsselmeer. Aan het eind van dat kanaal staat de voormalige vuurtoren van Workum, wit en vierkant, achter de dijk. Daar staat ook het huis van wijlen Reid de Jong, die vroeger op de dijk de Strontrace-deelnemers het startsein gaf met de woorden “En nou opdonderen!”

Oranje

Diede en ik lopen langs de kenmerkende roestbruine gevel van het Jopie Huisman Museum richting de Merk, het centrale plein(tje). Het Jopie Huisman Museum werd reeds in 1992 opgericht voor het werk van kunstenaar Jopie Huisman, die in 2000 overleed. Huisman zelf wilde na de diefstal van een aantal uitgeleende werken niet meer exposeren, waarop een groep liefhebbers het museum realiseerde.

Aan het plein eten we een typisch Friese lekkernij: rozekleurige oranjekoek. Met slagroom, want dat is het lekkerst, zegt men. We kijken uit op de opvallend hoge Grote of Sint-Gertrudiskerk, schets van de rijkdom van de stad.

“Het front komt eraan,” zegt Diede. Uit zuidwestelijke richting nadert een wolkenband, die fel afsteekt tegen het nog zonovergoten weiland dat ervoor ligt. We scheuren met enkel rif over de Lange Vliet richting het Heegermeer. “Het trapezevest zouden we nu goed kunnen gebruiken,” zeg ik tegen Diede, die met zijn voeten onder de hangbanden over het randje hangt. “Of een tweede rif,” zegt Diede terug. Ik sleur aan de joystick. We hebben te veel roerdruk omdat het roerblad iets is opgelopen; die moet na de schilderbeurt nog wat worden aangedraaid. “Komt een vlaag.” De wind staat dwars op de vaart en als we langs het open water van het Zandmeer en het Grote Gaastmeer zeilen, vliegt het buiswater ons om de oren. Ik laat de overloop helemaal naar lij zakken en zie het vlakke water van de Yntemasloot al komen. “Daar hebben we nog een klein stukje halve wind voordat we kunnen afvallen,” wijst Diede.

De zelflozer gorgelt als we afvallen, de strijklengte over heel de Fluessen is lang en de golven lopen met ons mee. “Zullen we de spinnaker zetten?” suggereert Diede. Ons doel is een late lunch in Woudsend, zodat we tijdens de eerste buienserie droog binnen zitten. Ik twijfel, we gaan al hard. “Laten we het nog even aankijken, ’t is niet mijn boot.” Nog geen tien seconden later komt er nog een vlaag bovenop, een golf tilt de spiegel op en we stuiven met hoge snelheid naar de golf voor ons. Breed lachend roep ik: “Helemaal niet nodig, een spi!”

De Woudsenderrakken doen hun naam eer aan. Elk rak is precies bezeild en zo ‘kruisen’ we geheel natuurlijk naar Woudsend, het thuis van de Breehorn-werf en Zeilschool Het Molenhuis.

Het buiswater heeft plaatsgemaakt voor hemelwater en de capuchon moet op. Een paar prachtig donkerblauw met gouden accent gekleurde Randmeren komt ons tegemoet zeilen; de boten van Het Molenhuis die we ook hadden kunnen huren. Vlak voor de brug leggen we de boot aan, om rechtstreeks naar lunchplek ’t Ponkje te lopen, Fries voor de collectezak die hier ooit rondging.

Route Team Randmeer, Cartografie: Earik Wiersma

Handen door het riet

Via de Nauwe Wijmerts zeilen we ruimwinds terug naar de box in Heeg. De polder tussen ons en het Heegermeer is alleen per pont bereikbaar voor de boer die daar woont. Zijn BMW staat op de pont, geparkeerd achtergelaten als secundair vervoermiddel in deze waterrijke provincie. Diede kijkt om zich heen. “Ik heb veel gezien, maar hier ben ik nog nooit geweest.”

Het is eigenlijk gewoon een Friese sloot, maar wel een mooie Friese sloot, besluiten we. Als ik mijn hand uitsteek, kan ik de gele lis op de oever raken. Ik ga staan om over de rietkraag heen te kijken. Een aalscholver op een paal spreidt vergeefs zijn vleugels in de regen. Een haas kijkt even op, maar gaat gewoon verder met grazen, alsof hij denkt: Een zeilboot, die hoort hier gewoon.

Tekst: Marinus van Sijdenborgh de Jong. Beeld: Eric van den Bandt en team Randmeer.

Verder lezen?

Het volledige artikel is te lezen in Zeilen 08/2026 en voor abonnees hier digitaal. Nog geen abonnee? Bestel nu een digitaal jaarabonnement op Zeilen, dan heb je direct toegang tot dit artikel en vind je in ons digitale archief nog veel meer. Óf bestel een jaarabonnement 12x Zeilen+ digitaal lezen, dan krijg je maandelijks ons magazine thuisbezorgd én heb je met onze app altijd en overal de kennis van Zeilen tot je beschikking. Bestel hier.