



28 januari 2010
38°02.46 S - 57°32.28 W, Mar del Plata
Vier maanden lang hebben we als bezetenen gewerkt. Duizend en een klusjes zijn van de oneindige lijst afgestreept. Duende is versgeschilderd, van boven tot onder gecheckt, waar nodig versterkt, gerepareerd en volgepropt met extra reserveonderdelen en gereedschap. Het seizoen lonkt ons naar het Zuiden en we staan te popelen om aan de lokroep gehoor te geven. Ondanks alle voorbereidingen op dit ene moment is het toch vreemd om te vertrekken van de plek waar we ons inmiddels zo thuisvoelen.
Ik peddel nog een laatste keer met mijn luxe leenfiets de bekende weg af naar de supermarkt en groet de vriendelijke bewaker onderweg. Tot nooit meer ziens. We barbequen in de club met ons laatste restje kolen. In het centrum van Buenos Aires nemen we op zaterdagavond gepast afscheid van deze bruisende stad. Een vriendin neemt ons op excursie langs een aantal Milonga’s, dansvloeren waar de Argentijnen samenkomen om de tango te beoefenen. Ademloos kijken we naar de prachtige uitgedoste dames die op hun torenhoge schoeisel bloedserieus om de mannen heendraaien.
Al dagen zien we een stabiel weergat aankomen om de 280 mijl naar Mar del Plata te overbruggen. Het voorspelt maar een klein beetje wind tegen, en dan dagenlang wind in de rug. Zelfs het weer vindt dat het tijd is tijd om te gaan. Onwennig zetten we de GPS aan, en veeg ik het stof van de zeekaarten. Bij zonsopgang varen we de brede Rio de la Plata op. De lichte tegenwind blijkt uit te lopen op een worsteling tegen de forse bries recht op de neus. De stuurautomaat doet gezellig mee en vertoont zwabberkuren. Hakkend tegen de venijnig spitse golven motorzeilen we moeizaam richting open zee. Ik ben rusteloos en wil wat doen, maar katterigheid maakt me lamlendig. Meer dan wat lezen en veel liggen zit er even niet in. Onder lichte dwang van dreigende zeeziekte schakel ik langzaam om van de maandenlange drukke dagindeling naar een rustiger zee-ritme.
“Wat is dit nou weer?” vraagt Bram met lichte paniek in zijn stem. Onder de vloer rolt ons blikvoer in een klotsende bak water. Ook het bed blijkt nat. Heel raadselachtig en ronduit onprettig als je niet weet waar het vandaan komt. De ergste scenario’s flitsen door mijn hoofd. Zou de romp toch lek zijn? Maar we hebben deze toch zorgvuldig gecheckt, kaal gehad en geschilderd? Ik verwerp de angstaanjagende gedachte snel als onmogelijk. “Misschien is het de dieptemeter?” opper ik. “Ook onvoorstelbaar, lijkt me”, mompelt Bram. “Ik denk eerder dat het de ontluchting van de WCslang is.” Toch zijn we er niet gerust op. Bram gaat verwoed op zoek en graaft zich door de boot. “Ik heb het gevonden!” roept hij even later triomfantelijk. “De ankerbak staat vol water en dat kon nergens heen. Ik denk dat de klei het ankerketting-gat niet voldoende heeft afgedicht, en daarbij was het wateropvangtankje niet goed aangesloten.” We zuchtten van verlichting dat de oplossing van het raadsel zo simpel is, maar voelen ons wel enigszins zoetwatermatrozen.
Dan draait de wind draait netjes volgens voorspelling. Een volmaakt bakstagwindje duwt ons zachtmoedig met zes knopen verder, de windvaan stuurt voorbeeldig. Duende bruist van plezier. Het bruine rivierwater gaat over een prachtig smaragdblauw. Ik snuif het zilt uit de helder blauwe lucht en geniet. Een bruine Jan van Gent scheert om ons heen als wilde hij ons welkom heten. Ik pak een nieuw boek en nestel me comfortabel in de kuipkussens. Mar del Plata komt voor mijn gevoel haast te snel in zicht. Het was even inslingeren, maar we zijn weer onderweg.


